Een wanhoopspoging strandt in Maassluis

Op 11 mei 1940 komen tien Duitse joden aan in Maassluis, ze hebben een helse tocht uit Eindhoven achter de rug. Om 10.00 uur ’s ochtends melden ze zich bij het politiebureau op de Markt, het is een chaos door het uitbreken van de oorlog.

Door: Hjalmar Teunissen

Een dag eerder zijn ze hals over kop uit hun huizen gevlucht, in een auto gestapt en naar het westen gereden. Achter de Hollandse Waterlinie, daar zijn ze vast veilig voor de Duitse inval, zo hopen ze. Het gaat om Max Loewenstein en zijn vrouw Hilde Rosenberg met hun twee kinderen Helmut en Rolf, een baby nog. Daarnaast heb je Kurt Rosenberg -de broer van Hilde- en zijn vrouw Meta Bernhardt. Ook de ouders van Max Loewenstein en Kurt Rosenberg zijn in de auto gestapt en naar Maassluis gevlucht.

Max Loewenstein (1905-1945)

Deze tien mensen wonen sinds enkele jaren als vluchtelingen in Eindhoven. In 1934 zijn ze in Nederland terechtgekomen, dat is dan nog mogelijk onder het redelijk tolerante beleid van minister Jozef van Schaik: een jaar eerder bijvoorbeeld is ook de familie van Anne Frank nog in Nederland toegelaten.

Maar vanaf 1934 wordt het asielbeleid strenger. Minister Van Schaik meldt aan de Tweede Kamer: “Hierbij merk ik op dat mijns inziens behoudens enkele gevallen in het algemeen geen beroep op het asielrecht gedaan kan worden. De positie der Joden in Duitsland moge betreurenswaardig zijn, om voor asielrecht in aanmerking te komen is meer nodig.”

Zelfs de verschrikkingen van de Kristallnacht waarbij 1.400 synagogen in vlammen opgaan, duizenden Joodse winkels worden vernield en honderden Joden worden vermoord leiden in 1938 niet tot een versoepeling van het Nederlandse asielbeleid. Duitse joodse vluchtelingen, ook kinderen, worden onder het zeer strenge asielbeleid van minister Goseling zonder pardon bij de Nederlandse grens teruggestuurd, hun dood tegemoet. Hij meldt: “In verband met de toestand in Duitsland is een nadere toestroming van Joodse vluchtelingen naar ons land te verwachten. In het algemeen dient de grens ook voor deze nieuwe vluchtelingen gesloten te blijven.”

Wanneer de Loewensteins en de Rosenbergs op 10 mei 1940 in Eindhoven wakker schrikken van de overvliegende Duitse vliegtuigen beseffen ze direct dat ze als joodse Duitsers in groot gevaar verkeren. Waarschijnlijk zullen we nooit weten wat ze onderweg in de auto naar Maassluis hebben meegemaakt: hun accent is Duits en ze zullen zeker een aantal keren door zenuwachtige Nederlandse soldaten bij checkpoints zijn ondervraagd. Eigenlijk is het nog een wonder dat ze Maassluis hebben weten te bereiken zonder te zijn aangehouden. Een Maassluise politieman noteert vervolgens over hun aankomst: “Ze wilden naar Amsterdam omdat ze zich achter de Waterlinie veiliger voelden. Daardoor hebben bedoelde mensen zich en anderen zeer veel last bezorgd. Als ze in Eindhoven gebleven waren, hadden ze de bescherming genoten als ieder inwoner, terwijl ze zich nu tot ‘vluchteling’ bestempeld hebben.”

Maar dat is nu juist het punt: ze zijn onder het Duitse regime niet ‘als ieder inwoner’, dat weten deze Duitse joden maar al te goed.

Doctor Kuyperkade 28

De tien vluchtelingen worden opgevangen in de Doctor Kuyperkade 28, het gebouw waar De Schakel lang zou zitten. Noodgedwongen moeten ze het delen met opgepakte Maassluizers die ervan verdacht worden Duits-vriendelijk te zijn. Eén van die verdachte Maassluizers wil schaken met een van de vluchtelingen. Die heeft daar zeker geen zin in en vraagt aan een begeleider of hij mag weigeren; dat mag.

Zo’n twee weken lang verblijven ze in Maassluis, totdat ze op 23 mei 1940 terugkeren naar Eindhoven. De vlucht naar de vrijheid is mislukt. Als ervaringsdeskundigen uit Duitsland maken zij zich geen illusies over hun lot, nadat ze terug in Eindhoven zijn. De twee families duiken daarom zo snel mogelijk onder. Acht van hen weten de oorlog te overleven. Max Loewenstein niet, hij wordt opgepakt en op 24 augustus 1943 naar Auschwitz gedeporteerd. Kort na de Bevrijding komt hij ergens in West-Duitsland om het leven.

Helmut Loewenstein (1934-1943)

Zijn zoontje Helmut wordt vermoord in Auschwitz op 19 november 1943, hij is dan 9 jaar oud. Tijdens de onderduik huilen hij en zijn kleine broertje Rolf zo vaak dat de onderduikgevers bang zijn dat ze in gevaar zullen komen. De jongens moeten een andere onderduikplek krijgen, maar de vrouw die Helmut meeneemt levert hem bij de Duitsers in. Hij belandt in Westerbork en wordt vrijwel direct doorgestuurd naar Auschwitz. Je vraagt je af wie zich om hem bekommerd heeft, wanneer hij na de selectie naar de gaskamer moet lopen.

Bronnen:

Gepubliceerd op:

woensdag 22 april 2026