In 2025 stelden zijn dochters, Marja Weltevrede-van den Berg en Laura van Hoorn-van den Berg, deze documenten aan mij beschikbaar voor onderzoek. Voor historici vormen dergelijke persoonlijke bronnen een waardevolle aanvulling op officiële archiefstukken. Waar archieven vooral laten zien wat er gebeurde, vertellen dagboeken en brieven hoe mensen de gebeurtenissen zelf beleefden.
Tussen de stukken bevindt zich eendagboek van maar liefst 86 pagina’s – bekijk hier het dagboek – waarin Maarten zijn ervaringen tijdens de oorlog vastlegde. Ook zat er een brief bij die hij op woensdag 6 juni 1945 vanuit Bergen op Zoom schreef aan zijn ouders en zus Jo in Maassluis. Samen geven deze documenten een bijzonder inkijkje in het leven van een jonge Maassluizer die tijdens de oorlog gedwongen in Duitsland moest werken en na de bevrijding eindelijk de lange weg naar huis kon beginnen.
Oproep voor Duitsland
Maarten Marinus van den Berg werd op zondag 8 mei 1921 geboren in Maassluis. Hij woonde met zijn ouders en jongere zus Jo aan de Noordvliet 89.
In januari 1943 veranderde zijn leven ingrijpend. Hij ontving een oproep van het Gewestelijk Arbeidsbureau Vlaardingen, dat een bijkantoor had aan de Zuiddijk 18 in Maassluis. Hij moest zich melden voor de Arbeitseinsatz.
Vanaf 1942 verplichtte de Duitse bezetter steeds meer Nederlandse mannen om arbeid te verrichten voor de Duitse oorlogseconomie. Naarmate de oorlog voortduurde en steeds meer Duitse mannen naar het front werden gestuurd, groeide de behoefte aan arbeidskrachten. Jonge Nederlandse mannen kregen daarom een oproep om in Duitsland of in door Duitsland gecontroleerde gebieden te gaan werken.
Wie niet wilde vertrekken, had feitelijk twee keuzes: onderduiken of gehoorzamen. Voor sommige beroepsgroepen, zoals werknemers in de landbouw, konden vrijstellingen worden verkregen omdat hun werkzaamheden van belang werden geacht voor de voedselvoorziening. Voor veel anderen gold die mogelijkheid niet.
Ook Maarten ontkwam niet aan de oproep.
Op woensdag 13 januari 1943 vertrok hij vanuit Maassluis naar Duitsland. Op vrijdag 22 januari begon hij bij de firma Müller-Altvatter & Co in Stuttgart. Daar werkte hij op de afdeling loonadministratie. Het bedrijf was actief op meerdere locaties en gedurende de oorlog verbleef Maarten achtereenvolgens in Stuttgart, Rhumspringe, Korntal en uiteindelijk Burgstall an der Murr.

Uit de eerste bestudering van zijn dagboek ontstaat het beeld van een jonge man die zich wist aan te passen aan de omstandigheden waarin hij terechtkwam. Hoewel hij tegen zijn wil van huis was weggehaald, lijkt hij binnen zijn werkzaamheden een zekere bewegingsvrijheid te hebben gehad. In juni 1943 kreeg hij zelfs verlof om gedurende twee weken naar Nederland terug te keren. Daarna zou het echter nog bijna twee jaar duren voordat hij zijn familie opnieuw zou zien.
De oorlog loopt ten einde
In het voorjaar van 1945 stortte nazi-Duitsland ineen. Amerikaanse legereenheden rukten vanuit het westen op en bereikten op zondag 22 april 1945 Burgstall an der Murr, waar Maarten zich op dat moment bevond.
Voor hem betekende dit het einde van de oorlog.
De bevrijding betekende echter niet dat hij direct naar huis kon. Over heel Europa bevonden zich miljoenen voormalige krijgsgevangenen, dwangarbeiders en concentratiekampgevangenen die probeerden terug te keren naar hun eigen land. Het spoorwegnet was zwaar beschadigd, bruggen waren vernield en de organisatie van het repatriëren van al deze mensen vormde een enorme logistieke uitdaging.
Pas op woensdag 16 mei 1945 kon Maarten aan zijn terugreis beginnen.
Zijn route voerde hem via Mannheim, Robertsau, Nancy, Châlons-sur-Marne, Reims, Valenciennes, Brussel en Antwerpen richting Nederland. Onderweg kwam hij verschillende bekenden uit de regio tegen. In Frankrijk ontmoette hij onder meer Truus de Bruin uit Maasland en Leen van Baalen uit Rozenburg. Ook hoorde hij nieuws over andere streekgenoten die nog onderweg waren naar huis.

Tijdens zijn reis werd hij voortdurend geconfronteerd met de gevolgen van de oorlog. Opvangkampen zaten vol terugkerende arbeiders en ontheemden. Op sommige plaatsen was de verzorging goed geregeld, op andere locaties moesten de reizigers improviseren om aan voedsel of onderdak te komen.
Terug op Nederlandse bodem
Op zondag 3 juni 1945 bereikte Maarten via Roosendaal eindelijk Nederland. De terugkeer verliep echter minder snel dan gehoopt. In Oudenbosch werden de teruggekeerde arbeiders opgevangen in het instituut Saint Louis. Daar kregen zij onderdak, voedsel en medische verzorging. Voor veel mannen was het de eerste keer sinds lange tijd dat zij weer in een normaal bed konden slapen.
Vanuit Oudenbosch werd Maarten vervolgens overgebracht naar Bergen op Zoom. Daar begon een nieuwe reeks controles. Teruggekeerde arbeiders werden medisch onderzocht, ingeënt, geregistreerd en ondervraagd. Hun bagage werd gecontroleerd en ontsmet, terwijl de autoriteiten probeerden een overzicht te krijgen van iedereen die uit Duitsland terugkeerde.Uit zijn brief blijkt dat deze procedures dagen in beslag namen. Toch klaagt hij nauwelijks. Integendeel, tussen de regels door klinkt vooral opluchting. Hij bevindt zich weer in Nederland, heeft voldoende te eten en weet dat het weerzien met zijn familie eindelijk dichtbij komt.
Tegelijkertijd merkt hij hoe groot de verschillen zijn met het Duitsland dat hij achter zich heeft gelaten. Hoewel ook Nederland nog zichtbaar de littekens van de oorlog draagt, ervaart hij de sfeer als vrijer en gemoedelijker. Na ruim twee jaar afwezigheid voelt hij zich weer thuis in zijn eigen land.
Eindelijk naar Maassluis
Op donderdag 7 juni kreeg Maarten te horen dat zijn groep spoedig zou mogen vertrekken. Een dag later begon het laatste deel van zijn reis. Via Roosendaal, Breda, Tilburg en Den Bosch reisde hij verder richting Rotterdam. Daar werden de teruggekeerde arbeiders opgevangen door de rivierpolitie en vervolgens met vrachtauto’s verder vervoerd naar hun woonplaatsen.
In zijn dagboek noteerde hij nauwkeurig de laatste etappes van de reis. Op zaterdag 9 juni 1945 arriveerde hij uiteindelijk in Maassluis. Na bijna tweeënhalf jaar afwezigheid stond hij weer voor de deur van het ouderlijk huis aan de Noordvliet. Veel woorden maakte hij daar niet aan vuil. In zijn dagboek vatte hij het moment samen in één korte zin:
“Aankomst Maassluis 2.15 uur en toen was ik thuis.”
Een waardevolle getuigenis
Het dagboek van Maarten van den Berg moet nog volledig worden getranscribeerd. Toch laten de eerste documenten al zien hoe waardevol dergelijke persoonlijke bronnen zijn.
De geschiedenis van de Arbeitseinsatz wordt vaak verteld aan de hand van cijfers en beleidsmaatregelen. Achter die cijfers gingen echter honderdduizenden individuele verhalen schuil. Verhalen van jonge mannen die hun familie moesten achterlaten, jarenlang ver van huis verbleven en niet wisten wanneer zij zouden terugkeren.
Het dagboek en de brieven van Maarten laten zien hoe zo’n geschiedenis er op menselijk niveau uitzag. Niet vanuit het perspectief van regeringen of legers, maar vanuit dat van een gewone Maassluizer die vooral verlangde naar één ding: weer naar huis.
En op zaterdag 9 juni 1945 was het eindelijk zover.
Na de oorlog bouwde Maarten in Maassluis zijn leven weer op. Hij trouwde met Jannetje (Janny) Boer en samen kregen zij twee dochters, Marja en Laura. Dankzij de documenten die zij al die jaren hebben bewaard, kan het verhaal van hun vader vandaag de dag nog steeds worden verteld.
