Met deze onderscheiding eert de Israëlische staat niet-Joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog Joodse levens hebben gered. Wereldwijd ontvingen ruim 26.000 mensen deze erkenning. Onder hen bevinden zich meer dan 5.700 Nederlanders. Jacob Rothuizen en Christina Johanna Rothuizen-Minderaa werden op 25 november 2014 erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren. De onderscheiding werd op 9 juni 2016 uitgereikt aan hun nabestaanden.
De onderscheiding vormde de officiële erkenning van een beslissing die Jacob en Christina Rothuizen ruim zeventig jaar eerder hadden genomen. Tijdens de oorlog namen zij een Joodse vrouw in huis en boden haar een veilige schuilplaats. Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een eenvoudig gebaar, maar in werkelijkheid bracht het grote risico’s met zich mee. Niet alleen voor henzelf, maar ook voor hun kinderen.

Een groot gezin aan de Noordvliet
Tijdens de oorlog woonde het gereformeerde gezin Rothuizen aan de Noordvliet 33. Veel oudere Maassluizers zullen het pand vooral kennen als de plek waar jarenlang Sporthuis Wim de Graaff gevestigd was. In de oorlogsjaren was het echter het thuis van een druk gezin.
Jacob Rothuizen werd op 13 november 1889 geboren in Doorwerth. Zijn vrouw Christina Johanna Minderaa zag op 27 oktober 1890 het levenslicht in Almkerk. Beiden kozen voor het onderwijs. Op 30 augustus 1917 trad het echtpaar in Amsterdam in het huwelijk.
In de jaren die volgden werd het gezin steeds groter. Elf kinderen werden er geboren: Janny (1918), To (1919), Jan (1921), Joop (1922), Jaap (1923), Netty (1924), Christien (1926), Frans (1927), Peter (1928), Gerard (1930) en Lotty (1935).

Het gezin woonde onder meer in Yerseke, waar Jacob ruim acht jaar hoofdonderwijzer was. In 1931 verhuisden de Rothuizens naar Maassluis nadat hij was benoemd tot hoofd van de Dr. A. Kuyperschool aan de Lange Boonestraat. Ook Christina bleef werkzaam binnen het onderwijs.
Jacob en Christina waren meer dan alleen onderwijzers. Zij stonden midden in de Maassluise samenleving. Jacob was actief binnen het Oranjecomité en hielp al kort na zijn komst naar Maassluis mee bij de organisatie van de Koninginnedagviering van 1932. Vanuit hun geloofsovertuiging en maatschappelijke betrokkenheid waren zij gewend verantwoordelijkheid te dragen voor anderen.
Toen de oorlog haar laatste fase bereikte, woonden nog zeven kinderen thuis. Bovendien waren drie van de oudste zoons zelf ondergedoken omdat zij weigerden zich te melden voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. De familie leefde daardoor voortdurend met zorgen. Iedere razzia kon gevolgen hebben. Iedere onverwachte controle kon gevaar opleveren.
Toch zou juist dit gezin besluiten nóg iemand bescherming te bieden.
Een vrouw die alles verloor
In de zomer van 1944 kwam via het Maassluise netwerk van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO), de vraag bij de familie Rothuizen terecht of zij een Joodse onderduikster wilden opnemen.

Het ging om Elise Heilmann-Seelisberg (Berlijn, 29 november 1890), een Duitse Jodin die tijdens de oorlog met haar echtgenoot aan de Scheldestraat 126 in Den Haag woonde. Haar leven was in korte tijd volledig ingestort.
Op een dag begin maart 1944 keerde zij terug naar huis en ontdekte dat haar echtgenoot Max Friedrich Heilmann en haar jongste zoon Fritz door de Duitsers waren opgepakt. Uit de arrestatiekaarten van de Rotterdamse politie blijkt dat beiden op 6 maart 1944 werden gearresteerd en ingesloten. Op 17 maart volgde hun transport naar kamp Westerbork.
Voor Elise kwam de arrestatie niet geheel uit de lucht vallen. De Jodenvervolging was al jaren gaande en ook haar oudste zoon Eugene Louis Heilmann was eerder door de bezetter opgepakt. Eugene, geboren op 31 maart 1914 in Parijs, had scheikunde gestudeerd in Leiden en werkte als assistent aan de universiteit. In augustus 1942 werd hij opgeroepen voor arbeid in Westerbork. Via kamp Westerbork kwam hij in februari 1943 terecht in Kamp Vught, waar hij als chemicus werkzaam was binnen de Philips-afdeling van het kamp. Daar maakte hij deel uit van de groep wetenschappers en academici die later bekend zou worden als de Chemische Kring Vught.
Wat Elise op dat moment nog niet wist, was dat zij geen van haar dierbaren ooit zou terugzien.
Haar echtgenoot Max Friedrich Heilmann (Dobrzyca, Polen, 26 september 1888) werd op 26 maart 1944 in Auschwitz vermoord. Haar zoon Fritz Heilmann (Den Haag, 17 april 1922) overleed op 21 januari 1945 tijdens een transport door het huidige Tsjechië en werd bij Veselí begraven.
Ook Eugene overleefde de oorlog niet. Na Vught werd hij via Auschwitz overgebracht naar het concentratiekamp Groß-Rosen. Tijdens de chaotische evacuaties in de laatste oorlogsmaanden kwam hij op 1 februari 1945 om het leven tijdens een ziekentransport. Hij werd slechts dertig jaar oud.
Alleen Elise bleef achter.
Zij begreep onmiddellijk dat ook haar eigen leven gevaar liep. Diezelfde nacht wist zij uit handen van de bezetter te blijven. Via contacten in het verzet dook zij onder en kwam uiteindelijk terecht bij kapper Molenaar en zijn echtgenote aan de Zuidvliet in Maassluis. Daar vond zij voorlopig een veilige schuilplaats.
Lang kon zij daar echter niet blijven. Volgens familieherinneringen kwam het adres steeds nadrukkelijker in de belangstelling van de Duitsers te staan. In de zomer van 1944 moest daarom opnieuw naar een veilig onderduikadres worden gezocht.
Via het LO-netwerk werd uiteindelijk een nieuw onderduikadres gevonden: het huis van de familie Rothuizen aan de Noordvliet.
Tante Loetje
Volgens familieherinneringen was Jacob niet thuis toen Jan Willem Bouwman bij de woning aan de Noordvliet aanklopte. Christina kreeg de vraag alleen voorgelegd. Kon een Joodse vrouw worden opgenomen in hun gezin?
Zij hoefde daar niet lang over na te denken. Ondanks de risico’s stemde zij onmiddellijk toe. Vanuit hun gereformeerde overtuiging zagen Jacob en Christina het helpen van een medemens in nood als een vanzelfsprekende plicht.
Toen Jacob thuiskwam bleek ook hij volledig achter dat besluit te staan. Vanaf dat moment maakte Elise deel uit van het gezin.
Binnen de familie kreeg zij de schuilnaam “Tante Loetje”. Onder die naam leerden de kinderen haar kennen. Over haar werkelijke achtergrond werd zo weinig mogelijk verteld. Dat was veiliger voor iedereen.
Elise kreeg een kamer boven de keuken en hielp mee in het huishouden. Zij was vrijwel doof, wat in een tijd waarin voorzichtigheid van levensbelang kon zijn soms extra uitdagingen met zich meebracht. Juist daarom hield de familie Rothuizen een extra oogje in het zeil wanneer er bezoek kwam of wanneer zich onverwachte situaties voordeden.
Voor noodgevallen richtte de familie op zolder een schuilplaats in onder de schuine kap van het dak. Wanneer er gevaar dreigde kon Elise zich daar verbergen. Uiteindelijk bleek dat gelukkig nooit nodig.
Een zak aardappelen
Dat betekende niet dat het gevaar verdwenen was. Tijdens de Hongerwinter bezocht Jacob Rothuizen samen met zijn zoon Peter een geheime voedseldistributie van het verzet. Deze distributies waren bedoeld voor gezinnen die onderduikers verborgen hielden en daardoor extra monden moesten voeden.
Toen vader en zoon met een zak aardappelen naar buiten kwamen, werden zij aangesproken door een Maassluise politieagent. De agent maakte duidelijk dat hij wist wat er gaande was. Volgens de familie liet hij weten hen niet te zullen arresteren wanneer Jacob na de oorlog ten gunste van hem zou getuigen.
Voor Jacob was het incident reden genoeg om geen enkel risico meer te nemen. Uit voorzorg werd besloten Elise naar een ander onderduikadres over te brengen. Kort voor de bevrijding verbleef zij nog elders in Maassluis.
Dankbaarheid
De oorlog eindigde, maar de band bleef bestaan. Elise vestigde zich na de bevrijding opnieuw in Den Haag. Daar hoorde zij uiteindelijk het lot van haar echtgenoot en beide zonen. Zelf was zij gespaard gebleven.
Dat had zij mede te danken aan mensen zoals Jacob en Christina Rothuizen, die hun huis voor haar hadden opengesteld op het moment dat zij nergens meer terecht kon.
Ook na de oorlog bleven Jacob en Christina zich inzetten voor de samenleving. In 1947 werd Jacob benoemd tot hoofd van de Groen van Prinstererschool. Het gezin verhuisde daarop naar de hoofdonderwijzerswoning aan de Groen van Prinstererkade 26. In juli 1952 ging hij met pensioen na een lange loopbaan in het onderwijs.

Christina bleef eveneens maatschappelijk actief. Zij was gedurende tien jaar bestuurslid van de Stichting 1940-1945, die zich inzette voor oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden.
Jacob Rothuizen overleed op 24 januari 1966 in Ede. Vijf jaar later, op 29 april 1971, overleed ook Christina Johanna Rothuizen-Minderaa in Ede.
Na het overlijden van Christina schreef Elise een warme brief aan de kinderen van het gezin. Daarin liet zij weten dat zij de goedheid van hun ouders nooit was vergeten.
Rechtvaardigen onder de Volkeren
Op 25 november 2014 erkende Yad Vashem Jacob Rothuizen en Christina Johanna Rothuizen-Minderaa officieel als Rechtvaardigen onder de Volkeren. De onderscheiding werd op 9 juni 2016 postuum uitgereikt aan hun nabestaanden.
Voor Jacob en Christina zelf kwam deze erkenning te laat. Toch zou de onderscheiding waarschijnlijk niet het belangrijkste voor hen zijn geweest. Zij zagen hun handelen vermoedelijk niet als heldendom, maar als een vanzelfsprekende verantwoordelijkheid tegenover een medemens in nood.
Toch maakte juist die keuze het verschil.
Toen in de zomer van 1944 een vervolgde Joodse vrouw hulp nodig had, besloten Jacob en Christina Rothuizen haar niet weg te sturen. Voor Elise Heilmann betekende die beslissing uiteindelijk het verschil tussen vervolging en overleven.
