De terugkeer van het stadsbestuur
Maassluis, 9 mei 1945

De bevrijding van Maassluis in mei 1945 betekende niet alleen het einde van vijf jaar bezetting, maar ook het herstel van het plaatselijk bestuur. Eén van de meest zichtbare momenten daarvan was de terugkeer van burgemeester mr. P.A. Schwartz, die tijdens de oorlog door de bezetter uit zijn functie was gezet.

Op 9 mei 1945, slechts enkele dagen na de feitelijke bevrijding, vond op de tijdelijke gemeentesecretarie aan de Zuiddijk een bijzondere bijeenkomst plaats. Vertegenwoordigers van de Binnenlandse Strijdkrachten, gemeentepersoneel en andere notabelen verzamelden zich om hun burgemeester officieel weer in hun midden te verwelkomen. De sfeer was plechtig, dankbaar, maar ook doordrenkt van het besef dat de wederopbouw nog moest beginnen.

Het verslag van deze bijeenkomst biedt een zeldzame en indringende inkijk in die eerste dagen van vrijheid. In de toespraken klinken opluchting en dankbaarheid door, maar ook zorgen over de toekomst, de oorlogsschade en de bestuurlijke uitdagingen die voorlagen.

Hieronder volgt het volledige verslag, waarin uitsluitend duidelijke zet- en spelfouten zijn gecorrigeerd.

VERSLAG van het verhandelde in een bijeenkomst, gehouden op Woensdag 9 Mei 1945 te elf uren, ter verwelkoming van den edelachtbaren heer Mr. P. A. Schwartz bij gelegenheid van diens terugkeer als burgemeester van Maassluis.

Te 11 uren betreedt de burgemeester, gevolgd door den heer L. J. Mostert, gemeentesecretaris, en enkele leden van den staf der Binnenlandsche Strijdkrachten, de burgemeesterskamer der tijdelijke gemeentesecretarie (Zuiddijk no. 78), die voor deze gelegenheid met oranjekleuren en een aantal bloemstukken is versierd. Aanwezig zijn o.a.: de staf der Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten, de gemeentesecretaris, de hoofdambtenaren der gemeente en het secretariepersoneel, verschillende notabelen, alsmede mevrouw H. Bouwman-Hommes, vergezeld van haar zoontje Bernhard.

De heer J. KRES, chef van den staf der Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten te Maassluis, opent de samenkomst met een woord van welkom tot de aanwezigen en wijst er op, dat deze vergadering is belegd in verband met den terugkeer van den edelachtbaren heer Mr. P. A. Schwartz als burgemeester. Spreker wenscht den burgemeester geluk met diens weer in functie treden en spreekt den wensch uit, dat hij in het nieuw aangebroken tijdperk met lust en opgewektheid zijn taak zal vervullen in het belang der ingezetenen, met inachtneming van hetgeen terzake overeengekomen is met de Binnenlandsche Strijdkrachten.

De BURGEMEESTER zegt hierna het volgende:

Dames en Heeren.

Na een tijdsbestek van vier jaren, gedurende hetwelk de geweldenaar mij de feitelijke vervulling van mijn ambt belette, werd het mij vergund mijn taak in het midden der burgerij te hervatten. Na een gedwongen ballingschap van bijna drie jaren mocht ik, uit mijn tijdelijke woonplaats afgehaald en in den kring van vertrouwensmannen ingehaald, in den nacht van Zondag op Maandag het grondgebied onzer stad weer betreden. In de oogenblikken onzer hereeniging gaat dan ook ons dankgebed op tot God Almachtig, die de draden van gansch het wereldbestuur, dus ook van ons stadsbestuur, in handen heeft en naar Zijn vrijmachtig welbehagen dezen vernedert, dien verhoogt.

Onze gedachten richten zich in deze ure in zonderheid tot de leden van ons Koninklijk Huis, die Gods goedheid door den geheelen oorlog heen zoo wonderlijk bewaarde. De Heere hield onze Vorstin staande te midden der zorgen, die de oorlogstoestand en de isoleering van ons vaderland Haar oplegden en begiftigde Haar met wijsheid voor haar moeilijk werk; Hij bekwaamde onzen Prins voor Diens militaire taak en bracht Hem in dezen weg nog weer dichter aan het hart van ons volk; Hij verleende onze Prinses de kracht om, ver verwijderd van Haar verwanten, Haar verantwoordelijke taak in Haar gezin te volbrengen. Met Ons Oranjehuis thans weer vereend, gaan wij, terwijl het nog versterkt werd in tal en gestaald werd in kracht, onder Gods hulp met vertrouwen den nieuwen tijd tegen!

Het weer optreden in onze gemeente duidde ik zoo straks aan als het hervatten van de feitelijke vervulling van mijn ambt. Met opzet bezigde ik deze uitdrukking, die ons onmiddellijk plaatst voor het vraagstuk, hoe de positie van den burgemeester, wien de bezetter de uitoefening van zijn ambt ontzegde, moet worden gezien. Het Nederlandsche staatsrecht zal bij de beantwoording dezer vraag tot richtsnoer moeten dienen. Welnu, het gemeenteecht leert ons, dat de burgemeester, wiens benoeming door Hare Majesteit de Koningin geschiedt, alleen door de Koningin kan worden ontslagen. Wie dus niet door Hare Majesteit werd ontslagen. is nog steeds rechtens burgemeester. Natuurlijk kan de bezetter. gebruik makend van zijn macht, den burgemeester beletten zijn functie uit te oefenen, doch dit is een geheel andere kwestie. Zoodra dan ook de belemmering, gelegen in des bezetters macht, komt te vervallen, is de burgemeester ipso facto bevoegd en in staat het hem toekomende gezag metterdaad uit te oefenen. Er is dus geen officieele handeling noodig, die hem alsnog met volledige rechts- bevoegdheid bekleedt. Dat recht was steeds aanwezig, alleen werd de mogelijkheid tot ontplooiing tijdelijk gefnuikt.

Een andere vraag is, of het geen aanbeveling verdient het feitelijk weer hervatten der werkzaamheden met een enkel woord te onderstreepen. Daartoe bestaat mijns inziens stellig aanleiding. daar aldus aan het weer optreden de noodige bekendheid wordt gegeven en aan het feit zelf eenig relief wordt verleend. In deze motiveering is de rechvaardiging van deze toespraak gelegen.

Vijf lange jaren van druk en benauwenis liggen thans achter, ons, vijf jaren van geweld en onrecht, van gewetenloosheid en barbaarschheid, van bedrog en knevelarij. Eindelijk brak de strik los en wij zijn vrijgemaakt. De knellende band is van ons gevallen en toch.. het gevoel van volle vrijheid doet ons nog vreemd aan, het lijkt alles nog zoo onwezenlijk. Maar we zijn vrij. En voor die vrijheid zijn we God dankbaar, die ons door dezen diepen weg geleid heeft en toch nog weer uitgered, zijn we onze bondgenooten dankbaar, die de levens van vele hunner zonen voor onze bevrijding hebben opgeofferd, zijn we ook de binnenlandsche strijdkrachten in onze stad erkentelijk, die bereid waren zich te geven voor onze verlossing en door hun voorbereiding en optreden ertoe hebben meegewerkt, dat mijn terugkeer kon plaats hebben.

Dankbaar zijn we, maar onze vreugde is getemperd. Het is een blijdschap, gespeend aan uitbundigheid en uitgelatenheid. Harde slagen hebben Maassluis in de oorlogsjaren getroffen; in de eerste jaren van den krijg behoorde de gemeente zelfs tot de meest geteisterde van ons vaderland. Vele gezinnen werden zwaar beproefd. Interneerings- en concentratiekampen, fusileering en deportatie, bombardementen en rampen ter zee eischten hun slachtoffers. En hoeveel leed staat wellicht te wachten, dat tot dusver nog verborgen bleef?

Bovendien is een belangrijk deel der stad ten gevolge van oorlogshandelingen verwoest. Werd vóór den oorlog de economische en financieele positie der gemeente van jaar tot jaar gunstiger, thans is haar geldelijke staat ten gevolge van een roekeloos beleid van enkele jaren volslagen ondermijnd. Het zal dan ook noodig zijn van den grond af opnieuw te beginnen. Ingespannen, moeizame arbeid, die samenbundeling van alle krachten eischt en den steun vordert van de gansche burgerij wacht ons.

Een belangrijk deel van die taak zal rusten op de schouders van het corps ambtenaren en werklieden, in dienst der gemeente. Al ben ik uiteraard niet in staat om elke handeling, die in de afgeloopen jaren is verricht, afzonderlijk te beoordeelen, als geheel heeft het gemeentepersoneel zijn zware, moeilijke taak uitstekend verstaan. Daarvoor past mij een woord van welgemeende erkentelijkheid. In het bijzonder komt die dank toe aan U, geachte Secretaris, die in vaak hachelijke omstandigheden Uw taak naar eer en geweten hebt vervuld en Uw conscientie hebt vrijgehouden. Dit en de omstandigheden, dat gij al dadelijk deel hebt uitgemaakt van de deputatie, die mij weer in onze gemeente binnenleidde, is mij een waarborg, dat we straks weer eendrachtig het bestuur en de administratie der stad zullen dienen.

Het bestuur der stad. Menigeen zal het – en terecht – als een bezwaar voelen, dat het op dit oogenblik ontbreekt aan een behoorlijke op wettelijken grondslag functioneerende vertegenwoordiging uit de burgerij, doordat de zittingstijd van den gemeente-raad inmiddels is geëindigd. Wel heeft de regeering met prijzenswaardige voortvarendheid eene regeling in het leven geroepen ter samenstelling van gemeentelijke lichamen, doch ook zóó blijft er nog een overgangsperiode, waarin de stem der burgerij niet tot uiting komt. In overleg met de vertrouwensmannen is echter door mij overwogen een commissie van advies te benoemen, die mij voorloopig van voorlichting zal kunnen dienen omtrent de algemeene lijnen van gemeentebeleid.

Een enkel woord nog over het zuiveringsvraagstuk. Ook helaas in onze gemeente hebben verschillende personen zich jegens den vijand gedragen op een wijze, die met waardigheid en Nederlanderschap ten eenenmale in strijd is. Arrestaties hebben plaats gehad door de binnenlandsche strijdkrachten, hetgeen een waarborg moge zijn voor de objectiviteit dezer handelingen. Voor de burgerij zij het een waarschuwing om zich te hoeden voor eigenrichting: men late deze taak over aan de bevoegde organen.

Zien we ten slotte naar de toekomst, dan wacht ons geen gemakkelijk werk. Vergemakkelijkt wordt die taak, wanneer wij als goede vaderlanders en goede Maassluizers er naar streven onze taak, vereend van zin, te volbrengen. Met volle toewijding, met volledige overgave dan aan den arbeid. Moge de Almachtige God, die ons en onze stad tot hiertoe genadig bewaarde, ons Zijn trouwe hulp en bijstand schenken.

De heer KRES merkt op, dat tot zijn spijt Mevrouw Schwartz niet aanwezig is. De bedoeling was, dat Bernhard Bouwman mevrouw een attentie in den vorm van een bouquet bloemen zou aanbieden.

De BURGEMEESTER antwoordt, dat zijn vrouw zeer gaarne de bijeenkomst zou hebben bijgewoond, maar tot haar leedwezen niet aanwezig kan zijn omdat het gezin nog te Overschie verblijft; wel is Mevrouw reeds bij enkele plechtigheden tegenwoordig geweest. Bij het vernemen van het aardige denkbeeld om bloemen aan te bieden, zal het mevrouw ongetwijfeld nog meer spijten hier niet te zijn geweest.

Vervolgens reikt Bernhard Bouwman, oud 3 jaren, daarin bijgestaan door mevrouw Bouwman, aan den burgemeester een bloemstuk over.

De BURGEMEESTER bedankt voor deze attentie.

De heer J. W. BOUWMAN biedt den burgemeester namens het district Vlaardingen der N.B.S. zijn hartelijke gelukwenschen aan met diens terugkeer in deze gemeente en wenscht den burgemees- ter Gods zegen toe bij den arbeid, die wacht.

De heer L. J. MOSTERT, secretaris der gemeente, verkrijgt hierna het woord en zegt:

Dames en heeren!

Gaarne maak ik van de gelegenheid gebruik hier een enkel woord te richten tot U geachten burgemeester en tot U leden van het personeel ter secretarie.

Het lang verwachte oogenblik is daar, waarnaar wij weken en maanden, ja, bijna vijf jaar naar hebben uitgezien, waaromtrent wij soms getwijfeld hebben het ooit te zullen beleven en wat nu toch is aangebroken, het uur der bevrijding. Verlost van de macht des vijands, zijn wij weder in staat de bestuurszaken zelf te regelen; het juk is van ons af; wij zijn bevrijd. Voor U burgemeester en ons ambtenaren heeft dit alles echter nog een bijzondere beteekenis, namelijk de hereeniging in ambtelijk verband. We beleven een historisch oogenblik, dat ons immer in het geheugen zal blijven.

Twee gedachten houden ons op dit oogenblik bezig het verleden en de toekomst. Slaan wij een blik achterwaarts dan is het ons bijna niet mogelijk te gelooven, dat de onderdrukking voorbij is. Hoe heeft de vijand in ons vaderland huis gehouden. Hoevelen van de besten en edelsten van ons volk zijn voor zijn vuurpeleton gevallen? Hoevelen hebben hun leven op het slagveld gelaten voor de bevrijding en hoevelen zijn omgekomen in gevangenissen en concentratiekampen. Ons past een woord van eerbiedige hulde aan deze lange rij van strijders, die voor de bevrijding van ons vader- land en dus ook voor onze bevrijding vielen en het is onze dure plicht ook voor het ambtenarencorps de nabestaanden van hen op allerlei wijze hulp te verleenen en bij te staan.

Gode zij dank is in eigen kring ons niemand door den dood ontvallen, al bleven de moeiten en zorgen ook ons niet gespaard. Vier jaar geleden, omstreeks Hemelvaartsdag, burgemeester, waren wij in deze localiteit met de raadsleden bijeen om afscheid van U te nemen, omdat een onwettige overheid U het onmogelijk maakte Uw ambt als burgemeester van Maassluis in feite langer uit te oefenen. Wat een gedrukte stemming heerschte er toen. Dat was vrijwel het eenige oogenblik gedurende den oorlog, waarop mij de moed dreigde te ontzinken. Doch hoe is alles nu ten goede gekeerd. Weer hier is het mij een groote vreugde U en persoonlijk en namens het ambtenarencorps een hartelijk welkom toe te roepen. Over samenwerking behoef ik niet uit te wijden. Het verleden biedt daarvoor waarborg. U kunt op den steun van ons ambtenaren rekenen. Moge ook Uw gezin weer spoedig in de gemeente terugkeeren.

Enkelen anderen onzer zijn eveneens uit hun betrekking gestooten omdat ook zij het dure plicht achtten hun geweten meer gehoorzaam te zijn dan de onwettige overheid; weer anderen waren genoodzaakt hun post te verlaten, hetzij voor eigen veiligheid wegens verrichte handelingen tegen den vijand, hetzij wegens wegvoering voor den arbeidsinzet; weer anderen hebben zich verdienstelijk gemaakt met betrekking tot de verzetsbeweging. Met uitzondering van enkelen Uwer, op wier gedrag het hier de plaats niet is in te gaan, kunnen wij over de houding van het ambtenarencorps ter secretarie tevreden zijn. Dat gij in den oorlogstijd Uw plicht hebt verstaan, stemt mij als hoofd van de secretarie dank- baar en voldaan. Moge de bange tijd, die achter ons ligt, de vrucht afwerpen van gestaald karakter en een vaste wil voor onze overtuiging uit te komen. Wat mij persoonlijk betreft wil ik U ver- klaren, dat ondanks alle ellende en narigheid de afgesloten periode mij geestelijke winst heeft opgeleverd.

De tweede gedachte, die ons bezig houdt is de toekomst. Voor één illusie zullen wij moeten oppassen. Laten wij niet meenen, dat de moeilijkheden thans voorbij zijn: deze komen nu pas recht op ons af. Ons Vaderland gedeeltelijk verwoest, het economische leven volledig lamgelegd, het verkeerswezen ontwricht, de financiën ontredderd, maatschappelijke verhoudingen in de war, enz. enz. De vijand heeft niets ontzien en alles in een chaos herschapen en achtergelaten. Ook onze eigen gemeente heeft onder de slagen van den oorlog geleden. Veel valt op te knappen. In den beperkten kring van onzen dagelijkschen arbeid is het al verwarring wat de klok slaat: bevolking, begrooting, rekening, militaire zaken, afwikkeling vorderingen Duitsche weermacht. En dit zijn slechts enkele punten, die met tientallen zijn aan te vullen. Voor den opbouw van dit alles is naast bovenmenschelijke kracht een eensgezinde samenwerking noodig. Wat mij betreft ambtenaren ter secretarie zeg ik U die volledig en royaal toe. Ik heb met groot verlangen naar dit oogenblik uitgezien en het verheugt mij wederom na een scheiding van anderhalf jaar in Uw midden te zijn. Vol moed en in afhankelijkheid van Hem, Die alle kracht verleent, vat ik mijn arbeid weer op. Op Uw aller medewerking doe ik bij voorbaat een beroep. In nauw contact met de hoofdambtenaren ter secretarie hoop ik Uw werkzaamheden te regelen. Naast samenwerking tusschen U en mij zal er echter ook tusschen U onderling een goede verstandhouding moeten heerschen. Ontbreekt deze, dan lijdt het werk schade; was dit vroeger verwerpelijk, in de toekomst, waarin alles op alles moet worden gesteld om land en volk er weer boven op te brengen, kan zooiets niet worden toegelaten. Eendrachtige samenwerking moet het parool zijn. Ons land en volk, wij allen, hebben noodig een krachtige, vaste leiding. In dien geest hoop ik met U ambtenaren in vriendelijke betrekking samen te werken.

Moge het ons geschonken worden onder Gods Zegen mede te werken aan den opbouw van ons zwaar getroffen Vaderland onder leiding van onze geliefde Vorstin Koningin Wilhelmina en tot herstel en bloei van eigen gemeente onder het bestuur van onzen hooggeachten burgemeester. En wij zeggen het Bilderdijk na:

Holland groeit weer!
Holland bloeit weer!
Hollands naam is weer hersteld!
Holland, uit zijn stof verrezen;
Zal opnieuw oud Holland wezen!

De heer P. VAN DIJK, administrateur der gemeentelijke licht- en waterbedrijven, spreekt den burgemeester als volgt toe:

Mijnheer de Burgemeester,

Ik wensch U geluk met het feit, van onze bevrijding, hetwelk voor U inhoudt bevrijding uit Uw isolement, terugkeer naar Maassluis, het weerzien van Uw bekenden en het in eere herstellen in Uw functie als burgemeester.

Een van de grootste zorgen, die ons in den laatsten tijd heeft bezig gehouden, is wel het spook van den honger, en steeds heb ik gedacht als deze zorg weg is, kan als het ware niets ons meer remmen in het werk.

Als dan ook berichten uit het reeds eerder bevrijde gebied en van elke zijde geschreven en gesproken wordt over zeer vele moeilijkheden die ons wachten, dan zie ik deze niet pessimistisch in, omdat wij ons nu voor 100% kunnen geven.

Wanneer men dat doet, heeft men bovendien na gedanen arbeid de vreugde der voldoening in huiselijken kring; ik hoop dat ons werk U die tevredenheid zal geven, dat die vreugde daardoor verhoogd wordt.

Moge U de kracht ontvangen om Uw taak als burgemeester in het belang van Maassluis te vervullen.

Aan de aanwezigen worden daarna ververschingen aangeboden. Te zelfder tijd wordt een met oranje versierd portret, weergevende de beeltenis van Hare Majesteit de Koningin, binnengebracht. De aankoop van dit portret is de eerste uitgaaf, die het gemeentebestuur na den omslag heeft gevoteerd. De heer KRES verzoekt een toast uit te brengen op de leden van het Koninklijk Huis, een welke uitnoodiging de aanwezigen gaarne gevolg geven.

Vervolgens wordt het woord verleend aan den heer L. HOLLAAR, hoofdcommies ter gemeentesecretarie, die de volgende redevoering uitspreekt:

Geachte aanwezigen,

Het zij mij vergund om U burgemeester mede namens het personeel der gemeentesecretarie van harte geluk te wenschen met Uw behouden terugkomst in deze gemeente;

Gedurende den tijd van Uw afwezigheid hebben aan het hoofd van de gemeente gestaan een tweetal personen, dat de Nationaal- Socialistische ideëen was toegedaan. Het personeel ter gemeentesecretarie, dat uit den aard van de zaak met deze menschen veel te maken had, heeft bij de uitoefening van zijn werk een zeer moeilijken tijd doorgemaakt. Een bewijs, dat tegen deze zoogenaamde burgemeesters strijd is gevoerd moge blijken uit het feit, dat na Uw vertrek eerst de secretaris en daarna een niet onbelangrijk aantal ambtenaren van ik zou willen zeggen tooneel verdwenen. het

Van de ambtenaren, die zoogenaamd bleven, was het meerendeel werkzaam in de ondergrondsche beweging, waarvoor den betrokkenen B.J.H. ten Dam ten spijt zeer veel tijd beschikbaar is gesteld. Ik denk daarbij onwillekeurig aan den heer Bouwman, die in het laatste jaar hoogstens alleen tijdens de morgenuren op de secretarie aanwezig was.

Dit alles behoort thans tot het verleden. In de chaos, die ook op het gebied van de gemeenteadministratie is ontstaan, zal orde moeten worden gesteld, hetgeen veel van onze krachten zal vragen. Nu ben ik er heelemaal niet bang voor, dat onder Uw leiding binnen afzienbaren tijd, de ontstane achterstand zal zijn ingehaald. Wij ambtenaren, dat kan ik U burgemeester verzekeren, hunkeren er naar, om mede te helpen aan den opbouw van hetgeen door onze vijanden is vernield en afgebroken. God geve U burgemeester wijsheid en kracht om te vervullen de zware taak, die thans op Uw schouders is gelegd.

Ook U secretaris moge ik, mede namens het secretarispersoneel hartelijk gelukwenschen met Uw terugkeer. Uw taak zal in de naaste toekomst zeer zeker moeilijk zijn. U kunt U ervan overtuigd houden, dat wij ambtenaren alles in het werk zullen stellen om U eensgezind bij te staan bij het vele werk, dat zal moeten worden verzet. Schenke God de Heere U en ons allen daarvoor zijn onmisbaren zegen.

Ik heb gezegd.

De heer D. POOT, waarnemend directeur van gemeentewerken, zegt daarna het volgende:

Geachte heer Burgemeester, Dames en Heeren,

Er is onder de ambtenaren geen afspraak gemaakt wie en of er namens hen nog gesproken zou worden. Maar tijdens deze bijeenkomst werd me gevraagd, of ik als oudste een enkel woord wilde zeggen, waarom ik mij daarvoor opgaf. Inmiddels heeft de heer van Dijk mij het gras voor de voeten weggemaaid. Nu echter voor het secretariepersoneel en dat van licht- en waterbedrijven een welkomstwoord is gesproken meen ik voor gemeentewerken en voor hen die daar het meest mee in verband staan eveneens te mogen zeggen, dat U op de volkomen medewerking van dat personeel, zooals U wel weet, zult kunnen rekenen.

Wat mij zelf betreft zal ik nu wel spoedig ambtenaar af zijn, maar voor de anderen durf ik zulks zeker toe te zeggen.

Wij zijn thans, om het beeld van een schip te gebruiken, door zeer zware stormen heen gekomen, doch zwaar gehavend eischt het alle zeemanschap van den kapitein het vaartuig in veilige haven te brengen.

Welnu moge God U voor dit werk de noodige kracht, wijsheid en zegen verleenen tot heil van deze gemeente.

Dank U.

Rechts burgemeester Schwartz en links het hoofd van de openbare school de heer J. de Knegt in 1956.

Ten slotte wordt het woord gevoerd door den heer J. DE KNEGT, hoofd der openbare school voor gewoon lager onderwijs te Maas- sluis. De heer de Knegt spreekt als volgt:

Hooggeachte heer Burgemeester,

Hooggeachte heer Secretaris,

Het zij mij vergund als hoofd der openbare school in Uw gemeente, U beiden van harte geluk te wenschen met den goeden afloop van den oorlog en met den vrede, waarnaar we allen zoo reikhalzend gedurende deze vijf afgeloopen moeilijke jaren hebben uitgezien. Nu breekt weer een tijdperk aan, waarin we onze krachten kunnen besteden aan den opbouw van ons vaderland en onze gemeente. Voor wat onze taak betreft, de opbouw van ons onderwijs, dat ook een moeilijke tijd heeft doorgemaakt, geef ik U de verzekering, dat we alle krachten zullen inspannen, om dit weer tot bloei te brengen en ik hoop, dat we onze taak tot Uw volle tevredenheid zullen mogen vervullen.

En nu:

Beste kampgenoot,

’t Is wel een eenigszins vreemd aandoende titulatuur in een officieële bijeenkomst ten opzichte van den hoogsten magistraat in de gemeente. Maar de omstandigheden hebben er nu eenmaal toe geleid, dat dit toch mogelijk is. Namens de „Schoorlenaars” diegenen dus, die met U vanaf begin Juli tot einde September 1941 als gijzelaars van de gemeente Maassluis het kampleven in het Concentratiekamp te Schoorl hebben gedeeld, bied ik U onze wel- gemeende gelukwenschen aan met Uw terugkomst in de gemeente. Na eenige jaren uit Maassluis verbannen te zijn geweest, zijt gij thans weer teruggekeerd. Dit verheugt ons oprecht. Drie maanden toch hebben we daar in Schoorl geleefd, onder vreemde overheersching, gescheiden van ons gezin, beroofd van onze vrijheid. Binnen de prikkeldraadomheining, op een beperkt gebied hebben we geleefd als vogels van diverse pluimage. Immers, het was een wonderlijk mengsel van menschen, van verschillenden rang en stand, van beroep, van beginselen en toch, wat hebben we daar, ondanks het gemis van alle comfort en van onze vrijheid, geleefd in een hartelijke, oprecht gemeende verstandhouding. Alle verschillen waren weggevallen. We hebben elkaar daar beter leeren kennen en waardeeren. Het stemt ons dan ook tot groote dankbaarheid, beste kampgenoot, dat ook U, nadat we uit het kamp ontslagen waren, blijk hebt gegeven, dat U deze goede hartelijke verstand- houding, gelegd binnen de prikkeldraadmuren, wilde bestendigd zien. Bij gelegenheid toch van aangename en soms ook droevige gezinsomstandigheden gaf U, vaak vergezeld van Uw echtgenoote, blijk van Uw persoonlijke belangstelling. Er is dan ook in Schoorl onder deze vogels van diverse pluimage een heerlijke geest geboren, een geest van elkaar begrijpen, van elkaar waardeeren, van een te zamen werken aan een gemeenschappelijk doel, n.l. de op- bouw van ons vaderland. En hoe vaak zijn daar niet de woorden geuit: „Wanneer het toekomstig staatsbestel en landsbestuur mag steunen op een geest, zooals die hier bij ons heerscht, dan zal alles goed, zeer goed zijn”.

Als een uiting van dezen geest bied ik U namens de „Schoorienaars” een bouquet bloemen aan, getint in de kleuren rood, wit en blauw, de kleuren van onze geliefde Hollandsche driekleur. Vriendelijk verzoek ik U in deze kleurencombinatie op zichzelf scherp afteekenende kleuren, maar die te zamen èèn harmonisch geheel vormen de weerspiegeling te zien van de harmonische verstandhouding, waarover ik zoo juist tot U mocht spreken.

De burgemeester betuigt zijn hartelijken dank voor de woorden, die de verschillende heeren tot hem hebben gericht. De sprekers hebben de verhouding, waarin zij tot de plaatselijke overheid staan, elk vanuit eigen positie bezien, maar de grondtoon van alle toespraken en de strekking van ieder betoog was, dat men zijn hoop uitsprak op een goede samenwerking. Spreker sluit zich bij die wenschen gaarne aan.

Er zijn in dezen tijd menschen, die de verwachting koesteren dat er thans een ideale samenleving zal verrijzen, waarin alle moeilijkheden en wrijvingen zijn uitgebannen. Hoe goed bedoeld, dit idealisme zal noodwendig op een ernstige ontgoocheling moeten uitloopen. We blijven allen zondige menschen met vaak sterk in het oog vallende tekortkomingen en gebreken. En de vijfjaarlijksche oorlogsperiode, die thans achter ons ligt, heeft deze gebreken zeker niet getemperd, ze veeleer gevoed. Daarbij komt dat ieder, zelfs nog zonder dat er opzettelijk de bedoelingen in het spel zijn, geneigd zal wezen de zaken van uit eigen gezichtshoek en positie te bezien en hierdoor worden tegenstellingen in het leven geroepen. Verschil van inzicht zal dus nooit te vermijden zijn, maar het moet mogelijk wezen wanneer er kwesties rijzen, deze in goeden geest op te lossen. De burgemeester spreekt den wensch uit, dat allen onder Gods zegen in goede harmonie de zaken mogen behartigen en dat de vruchten van dezen arbeid ten goede mogen komen aan de plaatselijke samenleving.

De heer KRES dankt de aanwezigen voor hun belangstelling en sluit de vergadering.

Bron:

  • Raadsnotulen 1945-1946, Gemeentearchief Maassluis

Gepubliceerd op:

donderdag 2 april 2026