De Festung Hoek van Holland beschikte over een zwaar versterkt Kernwerk op het eiland De Beer, van waaruit de monding van de Nieuwe Waterweg tot het uiterste kon worden verdedigd. Dit geïsoleerde verdedigingspunt gold als een van de zwaarst versterkte locaties binnen de Nederlandse Atlantikwall.
Voor de verdediging aan de landzijde (rugverdediging) werden meerdere Landfronten aangelegd. Aanvankelijk betrof dit een linie rond het dorp Hoek van Holland, bestaande uit prikkeldraadversperringen en stellingen met lichte bunkers. Later werd deze linie aanzienlijk versterkt met een tankgracht, bunkers voor antitankgeschut en artilleriebatterijen. Toen ook delen van het Westland binnen het Verteidigungsbereich werden opgenomen, volgde de aanleg van een tweede, buitenste verdedigingslinie: het Neue of Äußere Landfront, met een lengte van circa 11 kilometer. Voor de aanleg hiervan werden duizenden inwoners geëvacueerd en moesten tuinders hun land opgeven.
Binnen deze verdedigingsstructuur werd de Festung Hoek van Holland in 1944 onderverdeeld in drie sectoren: het Festungsvorfeld (het gebied vóór de buitenste tankgracht), het Unterabschnitt Nord en het Unterabschnitt De Beer.
Maassluis kwam hiermee te liggen in het oostelijke deel van het Festungsvorfeld en maakte daarmee deel uit van de voorste verdedigingszone van de Festung Hoek van Holland.
In dit gebied werd het bestaande landschap direct opgenomen in de verdediging. De Duitsers maakten dankbaar gebruik van de Maassluise vlieten, die zij aanmerkten als Wasserpanzergraben (tankgrachten). Op strategische overgangen van land naar water werden betonnen wegversperringen (Straßensperren) aangelegd, waaronder Walzkörpersperren en Höckerhindernisse. Enkele van deze locaties werden ingericht als Widerstandsnest (weerstandskern).

Een Walzkörpersperre bestond uit twee betonnen tankmuren met daartussen een kantelbaar betonnen blok (Kippblock) van duizenden kilo’s. Met behulp van staalkabels, katrollen en een liersysteem kon de doorgang binnen circa twintig minuten worden geopend of gesloten, waardoor de weg effectief werd afgesloten voor vijandelijke pantservoertuigen.
Voor en naast de Sperre waren Höckerhindernisse geplaatst: rijen gewapend betonnen piramidevormige obstakels, onderling verbonden via een betonnen fundering. Daarnaast was in de tankmuur aan weerszijden een Tobruk-ringstand opgenomen, van waaruit de versperring met een Maschinengewehr (MG) kon worden verdedigd. Dit type versperring komt (na 1943) vijfmaal in Maassluis voor.
Daarnaast treffen we in Maassluis tweemaal een beweegbare Höckerhindernissperre aan. Net als bij een Walzkörpersperre konden hierbij twee betonnen delen verticaal omhoog worden bewogen met een liersysteem. In dit geval betrof het funderingen met daarop Höckerhindernisse.
De Festung Hoek van Holland kreeg van de Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden (W.B.N.), General der Flieger Friedrich Christiansen, een Festungskommandant toegewezen: Oberst Neumann. Tevens werd een Kampfanweisung für die Festung opgesteld, waarin de richtlijnen voor de verdediging waren vastgelegd. In essentie kwam dit neer op: standhouden tot de laatste kogel.

In deze Kampfanweisung werd ook specifiek ingegaan op de versperringen rond Maassluis. Indien nodig gaf de Sperr-Offizier voor de Festung Hoek van Holland, luitenant Hein, het bevel tot sluiting van de versperringen aan de Sperr-Offizier für Maassluis und Maasland, Oberstabsveterinär Dr. Demuth, die in 1944 tevens Ortskommandant van Maassluis was.
Dr. Demuth schakelde vervolgens een speciaal aangewezen eenheid in: de Sperrtrupps, bestaande uit zes man onder leiding van Feldwebel Bormann. Deze eenheid was gestationeerd in een pand aan de Oude Veiling nabij de Rijksstraatweg. Bij alarm had men circa vier uur nodig om alle zeven versperringen rond Maassluis te sluiten, conform de instructies in de Sperrkalender.
Aan de hand van deze Sperrkalender kunnen de locaties van de versperringen worden bepaald, evenals de volgorde waarin deze moesten worden gesloten. Voor het overzicht wordt deze volgorde hieronder aangehouden.
Straßensperre Maassluis Nr. 31 (Oude Veiling)

Aan de zuidzijde van de brug over de Noordvliet, van de Oude Veiling naar de Maassluiseweg, bevond zich een Walzkörpersperre als hindernis op de weg van Vlaardingen naar Maasland.
Straßensperre Maassluis Nr. 36 (Blauwe Brug / Kortebuurt)

Aan het einde van de Kortebuurt, vóór de Blauwe Brug over de Boonervliet, bevond zich een Walzkörpersperre om de route van de Zuidbuurt naar Vlaardingen af te sluiten.
Straßensperre Maassluis Nr. 37 (Rijksstraatweg 20A / Wipperskade)

De huidige A20 was nog in aanbouw en stond bekend als Rijksstraatweg 20A. Hier, op het viaduct boven de Wipperskade, lag een beweegbare Höckersperre, waarvan de betonnen delen verticaal konden worden opgehaald.
Straßensperre Maassluis Nr. 32 (Rijksstraatweg 20A / Kortebuurt)

Iets verder oostwaarts, richting Vlaardingen, lag op de Kortebuurt ter hoogte van de huidige A20-oprit een vergelijkbare Höckersperre.
Straßensperre Maassluis Nr. 34 (Vlaardingsedijk)

Net over de spoorbaan, bij het begin van de Vlaardingsedijk ter hoogte van gemaal mr. dr. C.P. Zaayer, lag Widerstandsnest 121. Hier bevond zich een zwaar verdedigde Walzkörpersperre, aangevuld met Höckerhindernisse, Tobruk-stellingen en meerdere MG-nesten. Op de dijk lagen bovendien tientallen Schützenlöcher (schuttersputjes) voor dekking bij aanvallen.
Eisenbahnsperre Maassluis Nr. 35 (spoorbaan richting Vlaardingen)

Op de spoordijk, voorbij de brug over de Boonervliet, lag een Walzkörpersperre over de rails om het spoorverkeer vanuit Vlaardingen te blokkeren.
Straßensperre Maassluis Nr. 33 (Hoogstraat / Monstersche Sluis)

De laatste versperring die gesloten moest worden, bevond zich bovenaan de Monstersche Sluis aan het begin van de Hoogstraat. Dit was een bijzondere Walzkörpersperre met slechts één Kippblock, gesitueerd aan de zijde van de Veerstraat.
Tegenwoordig
Op de locaties van de voormalige Straßensperren is tegenwoordig niets meer zichtbaar. In de eerste week na de Duitse capitulatie werden de betonnen verdedigingswerken rondom Maassluis opgeruimd.

Onder leiding van de Canadese bevrijders werden Duitse krijgsgevangenen ingezet, die onder hun eigen commandanten werkten. Hierbij werd onder andere een Sprengkommando ingezet om een aantal versperringen op te blazen.