18 maart 1943 – Het bombardement op Maassluis

Meester Blom van de Prins Bernhardschool noteerde in zijn oorlogsdagboek: “Donderdag 18 maart 1943, een dag voor de bewoners van Maassluis om nooit te vergeten. In den namiddag, omstreeks halfvier, worden bommen op de stad neergeworpen. In een minimum van tijd is een groot gedeelte van de stad vernield door hevige branden en door instorting van gebouwen. Door deze ramp is het schilderachtige van het stadje op verschillende plaatsen verloren gegaan.”

Het waren sobere woorden voor een gebeurtenis die diepe littekens zou achterlaten. Maassluis werd die middag getroffen door een geallieerd bombardement dat niet het beoogde doel raakte, maar wel het hart van de stad.

Een doelwit sinds 1940
Dat Maassluis ooit in het vizier van de Britse luchtmacht zou komen, had alles te maken met de olieraffinaderij Witol aan de Heldringstraat. Dit bedrijf was in 1938 naar Maassluis gekomen en in het voorjaar van 1939 in productie gegaan. De naam Witol verwees naar de witte olie die er werd geproduceerd: een medicinale en technische olie, ontwikkeld door de uit nazi-Duitsland gevluchte Joodse chemicus David Samuel Zinader en zijn zoon Erich.

Olieraffinaderij Witol N.V. aan de Heldringstraat, gebouwd in 1938-1939.

Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werd de Witol vrijwel direct door de bezetter in beslag genomen. Het beheer kwam in handen van het Hamburgse bedrijf Ernst Schliemann Oelwerke GmbH. Er werd een Duitse directeur aangesteld; de Nederlandse directie mocht blijven, maar had feitelijk weinig meer te zeggen. Dankzij grondstoffen uit Duitsland bleef de fabriek tijdens de oorlog produceren, onder andere olie voor Duitse oorlogsvoertuigen.

Voor de Britten was dit reden genoeg om de Witol al vanaf augustus 1940 op de doelenlijst van Bomber Command te plaatsen, als zogenoemd Fringe Target: een randdoel, niet te ver landinwaarts gelegen en geschikt voor aanvallen door lichte en middelzware bommenwerpers.

Na de bevrijding kwam de Witol tijdelijk onder militair gezag te staan. In 1947 werd het bedrijf opgenomen in de Bataafse Petroleum Maatschappij, beter bekend als Shell.

Eerste aanvallen: 1941–1942
In januari 1941 startte de RAF met Operatie Circus: daglichtmissies waarbij bommenwerpers, begeleid door grote aantallen jachtvliegtuigen, over bezet Europa vlogen om de Duitse Luftwaffe uit te lokken tot luchtgevechten. Het doel was strategisch: Duitse jachtvliegtuigen in het westen vastpinnen en zo weghouden van het Oostfront.

Op 30 april 1941 werd voor het eerst geprobeerd de Witol te bombarderen. Die poging mislukte volledig: alle bommen vielen op Rozenburg.

Daarna bleef Maassluis ruim anderhalf jaar relatief gespaard. Pas in het najaar van 1942 vonden opnieuw aanvallen plaats. Op 6 november 1942 probeerde het 21 Squadron met Ventura’s de Witol te bereiken. Slechts enkele toestellen kwamen daadwerkelijk in de regio; ze kregen hevig vuur van de Duitse luchtafweer te verduren en richtten nauwelijks schade aan. Eén toestel stortte brandend neer bij Spijkenisse.

De Van Nelle fabriek in Rotterdam en een fragment uit het RAF verslag.

Ook een aanval op 27 november 1942 liep mis. Twee Bostons van 88 Squadron kregen de opdracht onder wolkendekking te bombarderen. Eén keerde om, de andere trof niet de Witol maar de Van Nellefabriek in Rotterdam. Daarbij kwamen twee werkneemsters om het leven. Het was een pijnlijke illustratie van de beperkingen van precisiebombardementen in die fase van de oorlog.

18 maart 1943 – De aanval
Op donderdagmorgen 18 maart 1943 kreeg de Australische flightcrew van het 464 Squadron RAAF, onder leiding van Wing Commander Ronald Hillyard ‘Bob’ Young, tijdens de briefing van Bomber Command opdracht de Witol opnieuw aan te vallen.

Om 14.45 uur stegen twaalf Lockheed Ventura-bommenwerpers op vanaf RAF Feltwell in Norfolk. De toestellen waren beladen met 500- en 250-ponds brisantbommen en in totaal 120 fosforbrandbommen van 30 pond. Boven de Noordzee rendez-vousden zij met twee squadrons Spitfires, waaronder 167 Squadron met enkele Nederlandse jachtvliegers.

Boven zee kwam het tot een fel luchtgevecht met FW-190’s (Focke-Wulf) van de Duitse Luftwaffe Er vielen verliezen aan beide zijden, maar de Ventura’s bleven onbeschadigd. Vlak voor de Nederlandse kust stegen zij naar hun bommenafwerphoogte van circa 3.000 meter, beducht voor de Duitse luchtafweer op Kriegsmarine schepen in de haven van Maassluis.

Bommen op de stad
Rond 15.35 uur verschenen de Ventura’s boven Maassluis, verdeeld in twee groepen van zes. Het doelwit, de Witol, werd echter gemist.

De eerste groep wierp haar bommen te vroeg af. Deze vielen onder andere bij de Govert van Wijnkade en in de haven. Bij de Graanmalerij A.L. Verhagen viel het eerste dodelijke slachtoffer: de 15-jarige Johan Gerdes. Twee binnenvaartschepen zonken; een derde liep zware schade op. Een groot gat werd in de kade geslagen, basaltstenen werden door de kracht van de explosies als projectielen door de lucht geslingerd.

De tweede groep bombardeerde het oude centrum rond het huidige Marelplein, de Noorddijk en het Schanseiland. Hier ontstonden hevige branden. Om 15.38 uur loeide het luchtalarm – drie minuten te laat. In die korte tijd waren tientallen brisant- en brandbommen afgeworpen.

De Vereenigde Touwfabrieken, de machinefabriek Van Raalt, de Walramit-maatschappij en tal van woon- en winkelpanden raakten zwaar beschadigd of gingen in vlammen op. De Noorderkerk brandde volledig uit. De Groote Kerk werd zwaar getroffen; een beginnende brand in de toren kon ternauwernood worden geblust, waardoor het monumentale Garrelsorgel uit 1732 behouden bleef.

Hulpverlening en slachtoffers
De Maassluise brandweer was al snel volledig overbelast. Op meerdere plaatsen in de stad woedden tegelijkertijd hevige branden, terwijl het beschikbare materieel en manschappen beperkt waren. Al om 15.55 uur werd daarom assistentie gevraagd aan omliggende gemeenten. Brandweerkorpsen uit onder meer Maasland, Vlaardingen, Rozenburg, Schiedam, Rotterdam en Den Haag reageerden direct en stuurden manschappen en materieel naar het zwaar getroffen Maassluis.

Ook op verzoek van de Duitse Ortskommandant werd extra hulp ingezet. Vanuit Rotterdam arriveerden twee bluswagens van de Ordnungspolizei, terwijl uit Den Haag twee bluswagens van de Rijksbrandweer werden gestuurd, behorend tot het Feuerschutzpolizeiregiment Niederlande. Het was voor het eerst dat deze Duitse eenheden in Maassluis op deze schaal bij een calamiteit werden ingezet.

Ook de Noorddijk werd flink geraakt.

Op het hoogtepunt van de bluswerkzaamheden waren 38 brandslangen tegelijk in gebruik en werd per minuut naar schatting 24.000 liter water op de brandende panden gespoten. Desondanks bleek het op sommige plaatsen onmogelijk de vuurzee te bedwingen. Op de Noorddijk bijvoorbeeld waren geen blusmiddelen meer beschikbaar; alle materieel was elders ingezet. Bewoners probeerden daar wanhopig hun bezittingen te redden, terwijl het vuur zich ongehinderd een weg baande door de aaneengesloten bebouwing.

Het Duitse Sprengkommando werd ingezet om blindgangers op te ruimen, wat het blus- en reddingswerk herhaaldelijk onderbrak. Gebouwen moesten ontruimd worden, soms meerdere keren.

Aan het einde van de dag was de balans zwaar: achttien doden, vier zwaargewonden en circa vijftig lichtgewonden. Later zou nog één slachtoffer aan zijn verwondingen overlijden.

Het gebied waarin de bommen vielen.

Een ooggetuige
Een van de meest indringende verslagen komt uit het oorlogsdagboek van Jeanne de Pagter, EHBO- en Rode Kruis-helpster. Zij beschreef hoe de bommen “fluitend en gierend” neerkwamen en het stadje in enkele ogenblikken veranderden in een rampgebied. Zij werkte die avond en nacht in het noodhospitaal in de Ambachtstekenschool, waar doden en gewonden werden binnengebracht.

Haar beschrijving van verkoolde lichamen, verstikking door luchtdruk en de penetrante geur van verbrand mensenvlees laat weinig aan de verbeelding over. “Het is hard,” schreef zij later, “maar het is de rauwe werkelijkheid. Het is oorlog.”

22 maart 1943 – Nogmaals Maassluis
Vier dagen later, op maandag 22 maart 1943, volgde een nieuwe aanval. Ditmaal door twaalf Ventura’s van het 487 Squadron RNZAF. Opnieuw was de Witol het doelwit.

Rond 14.00 uur vielen de bommen. De meeste kwamen in open terrein terecht, doordat de bommen te laat werden afgeworpen. In Maassluis bleef de schade beperkt, maar het voorste deel van het gymnastieklokaal van de Groen van Prinstererschool werd getroffen. Wrang genoeg lagen daar de slachtoffers van het bombardement van 18 maart opgebaard. In de naastgelegen school bevonden zich op dat moment circa 300 kinderen; geen van hen raakte gewond.

Na deze aanval besloot Bomber Command de Witol voorlopig niet meer te bombarderen.

Geen vergissing
Lang is in Maassluis gesproken over een zogenoemd ‘vergissingsbombardement’. Dat beeld hield decennialang stand, mede doordat tijdens en direct na de oorlog nauwelijks openlijk werd gesproken over Engelse en Australische betrokkenheid. In officiële stukken en herdenkingen bleef men lange tijd terughoudend, wat ruimte liet voor de gedachte dat het bombardement op een vergissing berustte.

Opvallend is dat pas vanaf 2001 in publicaties en herdenkingen expliciet werd benoemd dat het bombardement werd uitgevoerd door Britse en Australische eenheden. Zelfs in 2003 en 2004 werd bij herdenkingen nog gesproken over een ‘vergissingsbombardement’. Dat is historisch onjuist.

De Witol was het doelwit. De bommen zijn te vroeg afgeworpen, met desastreuze gevolgen voor de stad. Dat is iets wezenlijk anders dan bombardementen zoals die op Nijmegen of Enschede, waarbij geallieerde bemanningen daadwerkelijk in de veronderstelling verkeerden dat zij zich al boven Duitsland bevonden.

Het bombardement op Maassluis was geen vergissing, maar een fout – met wat men tegenwoordig ‘collateral damage’ zou noemen.

De gevolgen van het bombardement gezien vanaf de Wagenstraat richting Noorddijk.

Littekens en herinnering
De schade was enorm. Meester Blom noteerde:
229 huizen licht beschadigd
26 middelmatig beschadigd
27 zwaar beschadigd
59 uitgebrand of ingestort

Tot op de dag van vandaag zijn de gevolgen zichtbaar, bijvoorbeeld aan de Noorddijk, waar open plekken herinneren aan verdwenen huizen.

Op 18 maart 1995 kreeg Maassluis een blijvende plek van herdenking. Op het Kerkplein staat het bombardementsmonument van kunstenaar Leen Droppert: twee muurdelen, een gat als symbool van de inslag, en een roestvrijstalen boog als teken van hoop. In 2008 werd het monument uitgebreid met negentien gedenkstenen voor de slachtoffers.

Het bombardement van 18 maart 1943 blijft een gitzwarte dag in de geschiedenis van Maassluis.

(Dit artikel is in 2026 herzien en inhoudelijk geactualiseerd. De oorspronkelijke versie verscheen in 2022.)

Bronnen:
– Jac. J. Baart & Lennart van Oudheusden – Target Rotterdam (2018)
– Gerrit J. Zwanenburg – Kroniek van een luchtoorlog (1990)
– John Prooi – Rozenburg in oorlogstijd 1939-1945 (2000)
– Wim Bergwerff – Historische Schetsen nr 49, HVM (2006)
– HVM – Oorlogsgeweld over Maassluis (2008)
– S. Blom – Maassluis tijdens de oorlogsjaren en na de bevrijding (1946)

Archieven:
– NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies
– The National Archives UK
– Stadsarchief Vlaardingen/Maassluis
– Historische Vereniging Maassluis

Gepubliceerd op:

maandag 12 januari 2026