Het leven van alle dag

Na de meidagen van 1940 ging ook in Maassluis het leven door. De veranderingen vonden aanvankelijk geleidelijk plaats. De druk van de bezetting werd onmiddellijk gevoeld, het verzet kwam op gang en we maakten kennis met het begrip onderduiken. Echter, voor het merendeel van de bevolking begon zich langzaam een strijd voor het bestaan af te tekenen die anders was dan vroeger. Als we een poging doen om een soort ‘momentopname’ te schetsen in de periode na het bombardement, komen de volgende beelden naar voren.

Door: Rinus van de Ree †

Scholieren verhuisden veelvuldig van het ene schoolgebouw naar een ander gebouw om plaats te maken voor inkwartiering, totdat er helemaal geen lessen meer werden gegeven. Materialen op school waren ook schaars geworden. In de haven lagen oorlogsschepen van de bezetter, waaronder een groot zogenaamd ‘wachtschip’. ’s Morgens en ’s avonds was er ‘vlaggenparade’ en moest iedereen in het zicht van de haven stram in de houding staan. Er waren dientengevolge omstreeks die tijdstippen weinig mensen op straat te zien.

Op de brugvleugels van de oorlogsschepen waren vliegtuigen geschilderd. Er kwamen regelmatig vliegtuigen bij. Het zouden door het betrokken schip neergeschoten vijandelijke vliegtuigen zijn. Wij geloofden dat niet.

De ‘Kriegsmarine‘ en andere militairen marcheerden dagelijks zingend door de Maassluise straten.

De voedseltochten waren op gang gekomen. De mensen kwamen lopend vanuit bijvoorbeeld Rotterdam op weg naar het Westland of Rozenburg, dat was toen nog een eiland en een uitgestrekt agrarisch gebied. Op een gegeven ogenblik voer de veerboot niet meer. Er werd een dienst met een grote roeiboot onderhouden, die werd geroeid door zes of acht mannen. Het was vechten om erop te komen. In de herinnering blijft het beeld van honderd mensen op die roeiboot; dat zal wel niet, maar het vaartuig lag altijd ontzettend diep.

De schepen in de haven werden regelmatig gebombardeerd en beschoten door geallieerde vliegtuigen. Dat gebeurde meestal ’s morgens. De vliegtuigen kwamen uit het westen en vlogen de haven voorbij, waarna ze met de zon in de rug naar beneden richting de haven doken. De bommen vielen veelal naast de haven, één keer in een van de drinkwaterbassins rond de Watertoren. In de volksmond werden deze bassins ‘waterputten’ genoemd. Dat gaf dan een modderballet. De omringende huizen zaten onder de modder en ook in huis, want de ruiten waren natuurlijk ook verdwenen. In de waterput achter de De la Reystraat is nog tot ver na de oorlog het gat te zien geweest dat door een bom in het onderwatermiddenschot van de put was gemaakt. Eén keer werd de Watertoren met kogels doorzeefd; dat gaf weer een ander waterballet.

’s Nachts zoemden de vliegtuigen hoog in de lucht, op weg naar Duitsland. We zaten dus altijd in angst.

Elders is al beschreven hoe het Scheur werd geblokkeerd door het laten afzinken van Nederlandse koopvaardijschepen, althans dat had men geprobeerd. Dat was dus stroomopwaarts van Maassluis. Later werd stroomafwaarts een duikbootversperring aangebracht, gevormd door twee wachtschepen aan weerskanten van de vaargeul. Tussen de wachtschepen en de vaste wal waren stalen netten onder water gespannen. Tussen de wachtschepen kon dan in korte tijd een derde stalen net in de vaargeul worden gevaren. Een van de wachtschepen werd op een gegeven dag getroffen en zonk. Het is nooit meer vervangen.

De vrouwen van de zeevarenden kregen ‘Rode Kruisbrieven’ van hun mannen op zee. Maximaal 25 woorden, inclusief de adressering. Om zeker te zijn dat die woorden geen geheime mededelingen bevatten, waren ze door vriend en vijand enkele malen geopend, gelezen en weer gesloten. Men stuurde ook ‘Rode Kruisbrieven’ naar de mannen. De ‘correspondentie’ over en weer verliep meestal via Lissabon. Soms arriveerden de brieven pas na maanden. Deze briefwisseling werd natuurlijk ook gevoerd met anderen die zich aan ‘de overkant’ bevonden.

Alles was op de bon en geld was niet een eerste vereiste om voedsel te kunnen bemachtigen, tenzij op de zwarte markt. Kleding werd vele malen ‘vermaakt’, samengevoegd en weer vermaakt. De fietsen die er nog waren, hadden ‘houten’ banden of een luxe tuinslang. Extra bonnen werden door de stadsomroeper Leen van Buuren bekendgemaakt. ‘Dames en heren en lieve kinderen’ was altijd zijn opening. Omdat de uitkeringen van bepaalde groepen ophielden dan wel sterk verminderden, moest er soms worden bijverdiend. Eén van de manieren was om ’touw te kloppen’. De bezetter legde beslag op alle soorten materialen en ook op sisal, een van de grondstoffen voor touw. De Touwfabriek begon een actie om het gebruikte touw waarmee stro was samengebonden geweest, bij de boeren op te halen. Burgers konden dan balen van die touwtjes met knopen ophalen in de Lange Boonestraat bij de VT (Vereenigde Touwfabrieken) en thuis de knopen ’tot pluis kloppen’ op een schoenleest of basaltkei (van de inmaak in de Keulse pot). Touwtjes zonder knopen en het pluis werden, afzonderlijk verpakt, op handkarren teruggebracht naar de Touwfabriek. Daar ontving men een vergoeding en nieuwe balen ongeklopt touw. Tegenwoordig zou men zoiets ‘recycling’ noemen. Wij zeiden ’touwkloppen’. De handkarren konden onder andere worden gehuurd bij Vennik op het Hoofd. Later moesten ook materialen zoals koper, lood e.d. bij de bezetter worden ingeleverd.

Als gevolg van de bombardementen en beschietingen vertrokken gezinnen uit de omgeving van het Hoofd. Voordat ze weggingen, werden de ramen en deuren dichtgespijkerd.

Voedsel werd voortdurend schaarser. Mensen die met gamellen, gevuld met soep, uit de gaarkeukens over straat liepen, behoorden tot het dagelijkse stadsbeeld. Het kwam ook nog voor dat de ene Maassluizer bij de ander ging eten, bijvoorbeeld om de andere dag. Wat de omvang van deze ‘hulpverlening’ was, is niet bekend. Verwarming werd een probleem. Nadat alle brandbare materialen, waaronder bomen en houten hekken, waren verstookt, begon men aan de spoorwegafrasteringen, die in die tijd van afgekeurde bielzen waren gemaakt. Het hek langs de ene kant van de Adriaan van Heelstraat was in één ochtend verdwenen. Het hout werd op sleetjes meegevoerd naar huis. Ook het sintels zeven langs de spoorlijn en op de vuilnisbelt leverde brandstof. We noemden dit ‘kolen zoeken’. Het schiep een bijzondere, bizarre sfeer. Alles werd tenslotte in de ‘allesbrander’ of speciaal vervaardigde extra zuinige noodkacheltjes verstookt om de karige maaltijden te bereiden. Gas was er niet, evenals elektriciteit. Verlichting verkreeg men door zogenaamde ‘oliedrijvertjes’ of carbidlantaarns. Op straat gebruikte men wegens gebrek aan batterijen een zogenaamde ‘knijpkat’ (een soort met de hand bediende fietsdynamo met bolletje erin). Ook moesten alle ramen zeer zorgvuldig worden verduisterd, anders liep men de kans dat er door de ruiten werd geschoten. Het is in Maassluis nooit meer zo donker geweest als toen.

De sfeer werd grimmiger naarmate de opmars van de geallieerden vorderde. Want dat wisten we wel, ondanks dat ‘alle’ radio’s waren ingeleverd. We maakten kennis met razzia’s. We zagen hoe mensen naar Duitsland werden afgevoerd. We mochten na 8 uur ’s avonds niet meer op straat. De ‘avondklok’ was op warme of hete zomeravonden een bijkomende ramp. De scholen waren dicht en het dagelijkse leven raakte ontwricht. Toen kwam de hongerwinter en in Maassluis was het niet anders dan in de rest van het Westen. Ook hier werden suikerbieten verwerkt tot dagelijks voedsel. Als lekkernij kon men in de winkels ‘Germex’ verkrijgen. Dit werd geproduceerd door Trouw in de Taanstraat. In normale tijden zullen de grondstoffen voor Germex wel in het veevoeder zijn verwerkt. Eén en ander kon dan genuttigd worden met thee van Terwee, Santé of een bakkie Pitto-koffie. De vindingrijkheid, ook op dit gebied, was groot en er zijn vele voorbeelden van in de toenmalige ‘voedselindustrie’.

De bevrijders kwamen over de ‘Wegt’ (Noordvliet) en over de rivier in de haven.

Dit artikel is geschreven door oud-HVM-voorzitter Rinus van de Ree en is eerder geplaatst in Historische Schetsen nummer 26 uit mei 1995.

Gepubliceerd op:

woensdag 1 juli 2026