
De naam Van Gelderen hoorde al generaties lang bij de stad. Op zaterdag 15 augustus 1807 kwam Beppies betovergrootvader Philip Joseph van Gelderen (1784–1843) vanuit ’s-Gravenzande naar Maassluis en vestigde zich als slager aan de Markt. Vier generaties Van Gelderens zouden daarna hetzelfde vak uitoefenen. De slagerij werd een vertrouwd onderdeel van het straatbeeld rond de Markt en de Wip.
De synagogen van Maassluis
Rond 1769 kreeg de Joodse gemeenschap van Maassluis toestemming om een eigen synagoge te bouwen aan de Boonestraat. In een tijd waarin Joden in veel omliggende plaatsen nog niet welkom waren, was Maassluis juist een uitzondering. De synagoge werd het religieuze en sociale hart van een Joodse gemeenschap die rond 1800 bijna honderd leden telde.
In 1831 volgde een tweede synagoge aan de Marelstraat, omdat de eerste te klein was geworden. Deze nieuwe sjoel werd het centrum van het Joodse leven in de eerste helft van de negentiende eeuw.
In 1858 werd aan de Groen van Prinstererkade de derde en laatste synagoge ingewijd. Dit complex was het meest compleet: met een school, woning voor de godsdienstleraar en voorzanger, een badhuis en een pakhuis vormde het een volledig religieus centrum in de stad.
In die kleine Joodse wereld leefde de familie Van Gelderen al generaties lang — en daarin groeide later ook Beppie op.
Een verdwijnende gemeenschap
Maar dat wereldje veranderde langzaam. Door de komst van de spoorverbinding met Rotterdam trokken veel Joodse gezinnen weg naar de grote stad, op zoek naar werk en betere inkomsten. De kleine Joodse gemeenschap van Maassluis liep daardoor steeds verder terug.
De synagoge aan de Groen van Prinstererkade bleef nog tot kort voor de Tweede Wereldoorlog in gebruik, maar het einde van de gemeenschap was toen al zichtbaar. Rond 1940 waren er nog maar enkele Joodse gezinnen in Maassluis over. De families Van Gelderen en Coltof behoorden tot de laatsten.
Na de oorlog verdween ook het laatste tastbare deel van het Joodse leven uit het straatbeeld. Het synagogecomplex werd uiteindelijk in 1958 gesloopt. Op de plek waar ooit gebeden werd, kinderen les kregen en families samenkwamen, staan nu een transformatorhuisje en een parkeerplaats.

Terug naar de Markt
Toen Jozeph van Gelderen in 1926 met zijn gezin terugkeerde naar Maassluis, kwam hij waarschijnlijk zijn vader Mozes opvolgen in de slagerij op de hoek van de Markt en de Wip. Daar groeide Beppie op, midden in het hart van de stad. Iedereen kende de slagerij. Iedereen kende de familie Van Gelderen.
Aan dezelfde zijde van de Markt, iets verderop op nummer 19, woonde de familie Vrij met hun drogisterij. Daar woonde Miep Vrij, die al vanaf haar vijfde of zesde onafscheidelijk was van Beppie. Later sloot ook Truus Verhagen zich bij hen aan. In Maassluis stonden zij bekend als “het drietal”.

Het drietal
Al veel eerder waren Beppie en Miep onafscheidelijk. Toen zij ongeveer acht jaar oud waren, zaten ze samen op balletles bij de Maassluise Balletgroep, die onder leiding stond van mevrouw Hannie Muller-Van Gijen (1893-1990) uit Rotterdam. Iedere week reisde zij naar Maassluis om de meisjes les te geven. Beppie deed in de jaren dertig mee aan verschillende balletuitvoeringen die werden georganiseerd, onder meer in het Vereenigingsgebouw aan de Zuiddijk.

Juist die kleine herinneringen laten zien hoe onbezorgd Beppies jeugd ooit was.
De meisjes gingen samen naar school op de Blomschool aan de Zuidvliet Zuidzijde, een openbare lagere school en MULO die later de Prins Bernhardschool zou gaan heten. Ze groeiden daar als vanzelf naar elkaar toe en trokken daarna steeds vaker met elkaar op.

In de zomer gingen ze zwemmen in het openluchtzwembad aan de Burgemeester Van der Lelykade, in de volksmond beter bekend als het Prikkengat. Zoals zoveel Maassluise kinderen, leerde Beppie daar zwemmen. Op warme zomerdagen zochten zij daar samen met andere Maassluise kinderen verkoeling in het koude water van het openluchtbad. Ze wandelden door de stad, gingen samen naar de bioscoop en trokken steeds vaker met vriendinnen op.
Toen ze eenmaal werkten, reisden ze dagelijks met de trein naar hun werk in Delft, Vlaardingen, Rotterdam of Schiedam.
Jeanne de Pagter herinnerde zich later hoe de meisjes elkaar iedere ochtend ophaalden voor de trein. Eerst werd er bij Beppie aangebeld op de hoek van de Markt en de Wip, waarna ze samen over de Haven richting station liepen. Onderweg groeide het groepje meisjes steeds verder aan.
Beppie werkte in die jaren als stenotypiste op kantoor bij Sprij’s Meubelfabriek aan de Westhavenkade in Vlaardingen. Andere meisjes stapten uit in Rotterdam, Delft of Schiedam, allemaal op weg naar hun eigen werk.
In de trein werd druk gepraat en zacht gefluisterd over de oorlog, over Engelse radio-uitzendingen die stiekem werden beluisterd en over geruchten die rondgingen in de bezette stad. Maar ondertussen bleef het ook gewoon het leven van jonge meisjes: lachen, kletsen en samen onderweg zijn.
“Als er een van ons uitstapte riepen wij in koor: tot morgen!” schreef Jeanne later.
Juist dat gewone leven maakt de herinnering aan Beppie zo aangrijpend. Zij was geen naam op een monument, maar een meisje dat gewoon bij de groep hoorde.
Een tweede thuis
Volgens Miep Vrij bracht Beppie bijna meer tijd door bij haar thuis dan in haar eigen huis. Zeker in de laatste oorlogsjaren zochten de families elkaar voortdurend op. Terwijl de ouders in hun winkels werkten, zaten de meisjes samen te praten of spelletjes te doen.
’s Avonds kwamen de families vaak bijeen in de woonkamer van de familie Van Gelderen, met uitzicht op de Markt. Daar probeerden ze de oorlog even te vergeten. Er werd urenlang Monopoly gespeeld.
“De heer Van Gelderen vond het prachtig om vals te spelen,” schreef Miep later. “En hij genoot er nog meer van als wij hem betrapten.”
Juist die kleine herinneringen bleven haar hele leven bij. Zoals de zondagavonden waarop Beppie mee-at bij de familie Vrij. Miep’s moeder maakte dan broodjes klaar en vroeg wat zij erop wilde hebben. Steevast kwam hetzelfde antwoord:
“Hammmmm alstublieft.”
Tot ergernis van haar moeder, die vond dat haar dochter zich beter aan de Joodse spijswetten moest houden. Maar Beppie bleef lachen. Zelfs tientallen jaren later sprak de familie Vrij die ene zin nog altijd na.
De familie Van Gelderen werd in het dagelijks leven niet alleen omringd door vrienden, maar ook door personeel dat nauw bij het huishouden betrokken was. Zo werkte jarenlang Nel, een dienstmeisje in het gezin dat hielp in huis en soms ook in de slagerij aan de Markt. Zij herinnerde zich later hoe gewoon het leven daar was: de winkel, het huishouden en het werk achter de toonbank, en het ritme van de zaterdagen waarop in en rond de slagerij tot laat werd doorgewerkt.
Ook de kleine details bleven hangen. Een olielampje dat bij rouw dag en nacht bleef branden. Gesprekken aan tafel over geloof en gewoonten, soms met een glimlach, soms met verbazing. En ondertussen de dagelijkse werkelijkheid van een slagerij waar gewerkt en geleefd werd, en waar het leven van een hele familie zich afspeelde in en rond de Markt.
Maar terwijl het leven voor de meisjes nog zo normaal mogelijk doorging, veranderde de wereld om hen heen langzaam onherkenbaar.
De oorlog sluipt het leven binnen
Toen Duitsland in mei 1940 Nederland binnenviel, veranderde er aanvankelijk weinig in het dagelijkse leven van Maassluis. Maar langzaam werden de maatregelen tegen Joden steeds strenger.
In januari 1941 moesten alle Joden zich registreren. Niet veel later verschenen de grote zwarte “J’s” op de persoonsbewijzen. Daarna volgden de verboden elkaar snel op. Joden mochten steeds minder plekken bezoeken en werden stap voor stap uit het openbare leven verwijderd.
Vanaf mei 1942 moest ook Beppie een gele Jodenster dragen.
Miep Vrij hielp haar met het opnaaien van de sterren op haar kleding. Toch probeerden de meisjes nog zo normaal mogelijk door te leven. Soms ging Beppie zonder ster naar de bioscoop, met haar blonde haar en een handtas strategisch voor haar jas gehouden.
“Voor ons was dat de oplossing,” herinnerde Miep zich later.
Maar onder de oppervlakte groeide de angst.
Een kans om te ontsnappen
Al vóór de oorlog hadden familieleden geprobeerd Jozeph en Jet van Gelderen over te halen Nederland te verlaten. Een zus van Jozeph, Sara Drukker-van Gelderen, die later naar Amerika wist te ontsnappen, drong er meerdere keren op aan dat het gezin mee zou gaan.
Zelfs tijdens de eerste oorlogsdagen zou er nog een mogelijkheid zijn geweest om met hulp van Beppies oom Philip van Gelderen via IJmuiden naar Engeland te vertrekken. Maar de familie wilde hun leven in Maassluis niet achterlaten. Niemand wist toen nog wat de nazi’s uiteindelijk van plan waren.
Later, toen de maatregelen steeds harder werden, probeerde Miep Vrij alsnog een uitweg voor Beppie te regelen. De verloofde van Miep, Wim Boudewijn, zat in het verzet en hielp bij het vinden van een onderduikadres in Schiedam. Het vervalste persoonsbewijs lag al klaar. Vader Vrij had pasfoto’s gemaakt en in Schiedam werd dag en nacht gewerkt aan het vervalsen van identiteitsdocumenten.
Beppie kreeg een nieuwe naam en een nieuw adres. Wekenlang oefenden de meisjes samen haar nieuwe identiteit. Op ieder moment moest ze haar schuilnaam kunnen opzeggen zonder te twijfelen.
Miep bezocht zelfs het onderduikadres al. Het was een gezin met een dochter van ongeveer dezelfde leeftijd als Beppie. De man des huizes vloog vanuit Engeland als piloot voor de geallieerden. Alles was voorbereid.
Maar uiteindelijk wilden Jozeph en Jet van Gelderen hun dochter niet alleen laten onderduiken. Het gezin wilde bij elkaar blijven.
Jaren later zou Miep zich nog altijd afvragen of zij harder had moeten aandringen.
Het begin van het einde
Op zondag 18 oktober 1942 kwam er abrupt een einde aan het gewone leven van de familie Van Gelderen. Terwijl Beppie zoals zo vaak bij de familie Vrij thuis was, verschenen Nederlandse politieagenten bij de slagerij op de Markt.
Jozeph en Jet van Gelderen werden samen met de familie Coltof gearresteerd en overgebracht naar het politiebureau op de Markt 18, recht tegenover de drogisterij van de familie Vrij.
Miep hielp die avond nog mee met het bijeenpakken van de noodzakelijke spullen. Jozeph van Gelderen had eerder stevige plunjezakken laten maken, alsof hij rekening hield met wat komen kon. Die avond werden de bezittingen in deze zakken gedaan en gingen ze mee naar het politiebureau. Het huis en de winkel bleven daarna onder toezicht achter.
Bij hoge uitzondering mocht Beppie die laatste nacht bij Miep thuis slapen.
“Ik herinner me dat wij elkaars handen vasthielden,” schreef Miep later.
De laatste ochtend
De volgende ochtend gingen zij samen terug naar het politiebureau. Daarna werden de families onder begeleiding van de Maassluise politie naar station Rotterdam DP gebracht.

Ook Jeanne de Pagter merkte die ochtend direct dat er iets mis was. Zoals iedere werkdag liep zij naar de slagerij om Beppie op te halen voor de trein. Toen zij de winkeldeur openduwde, werd zij plotseling door de Maassluise politieagent Groeneveld naar binnen getrokken.
“Wat kom jij hier doen?” snauwde hij haar toe.
“Ik kom Beppie halen. Wij moeten naar de trein om te gaan werken.”
In de winkel trof Jeanne geen normale situatie meer aan. De zaak was verlaten en stond onder toezicht van de politie. Alles wees erop dat de familie inmiddels was weggevoerd en niet meer zou terugkeren.
Pas toen een tweede agent bevestigde dat Jeanne inderdaad een vriendin van Beppie was, mocht zij vertrekken. Half versuft liep zij richting station. Daar vertelde zij huilend aan de andere meisjes wat er gebeurd was. Niemand sprak het hardop uit. Maar iedereen voelde dat dit misschien het laatste afscheid was.
Het afscheid in Rotterdam
Miep Vrij mocht nog mee in de trein tot Rotterdam DP. Daar moest zij afscheid nemen. Op het perron sprak Jozeph van Gelderen woorden die zij haar hele leven nooit meer zou vergeten:
“Wij gaan onze nieuwe toekomst tegemoet.”
Geen van hen wist toen wat die “toekomst” werkelijk betekende.