De Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) in Maassluis

Het helpen van onderduikers begon nergens in Nederland als een strak geregisseerde verzetsactie. Ook niet in Maassluis. In de eerste bezettingsjaren ging het om losse daden: een bed op zolder, een extra bord eten, een adres dat ‘even’ werd doorgegeven. Klein, voorzichtig, vaak zonder groot plan. Maar naarmate de oorlog vorderde, groeide het aantal mensen dat moest onderduiken snel. Eerst Joden, later ook studenten, voormalige militairen, verzetsmensen en mannen die weigerden om in Duitsland te werken. Spontane hulp was niet meer genoeg. Wie wilde helpen, moest het slimmer – en vooral samen – doen.

Van spontane hulp naar landelijke organisatie
Die stap werd eind 1942 gezet met de oprichting van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Op 25 november legden Helena Theodora Kuipers-Rietberg, beter bekend als ‘Tante Riek’, en ds. Fredrik (Frits) Slomp, alias ‘Frits de Zwerver’, in Winterswijk de basis voor wat zou uitgroeien tot de grootste verzetsorganisatie van Nederland.

Tante Riek was huisvrouw, maar allesbehalve onzichtbaar. Via de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen beschikte zij over een netwerk dat diep verankerd was in de Gereformeerde Kerk en nauw verbonden met de kring rond de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Frits Slomp was een gereformeerd predikant uit Heemse, een dorpje vlak bij Hardenberg. Tijdens de bezetting trok hij vanaf de kansel en op illegale bijeenkomsten van de ARP en het Christelijk Nationaal Vakverbond fel van leer tegen de Duitse bezetter. Als gevolg daarvan moest hij in juli 1942 onderduiken. Vanuit zijn onderduik reisde Slomp het land door, preekte, waarschuwde en verbond lokale initiatieven met elkaar.

Dat Maassluis al snel aansloot bij dit landelijke netwerk was niet verwonderlijk. De broer van Helena Rietberg, ds. Johannes Hendrik Rietberg (1884–1947), was immers al sinds 1920 predikant van de Gereformeerde Zuiderkerk aan de Sluispolderkade. Via zijn zus Helena liep voor hem een directe lijn naar het landelijke LO-verzet. Hij werkte niet met lijsten of regels, maar met vertrouwen. Hij bracht mensen samen en zorgde ervoor dat helpen normaal was – en dat soms zwijgen net zo belangrijk kon zijn als spreken.

Sluispolderkade met achterin de Zuiderkerk.

Wanneer Frits de Zwerver in Maassluis was, logeerde hij bij verzetsgezinnen, zoals de familie Molenaar aan de Zuidvliet. Dat was geen toevallig logeeradres, maar een plek waar lijnen samenkwamen. In huiskamers werden gesprekken gevoerd, plannen afgestemd en risico’s ingeschat. Tegelijkertijd sprak Slomp in Maassluis vanaf de kansel: preken waarin geloof en verantwoordelijkheid onlosmakelijk met elkaar waren verbonden en die door velen werden herkend als een bewuste vorm van verzet. Zo kreeg de LO lokaal wortel.

De kracht van de LO zat niet in strak centraal gezag, maar in herkenning. Lokale groepen bleven lokaal werken, maar wisten dat zij deel uitmaakten van iets groters. Onderduikadressen, distributiebonnen, valse papieren en informatie circuleerden via netwerken waarin kerk, overtuiging en persoonlijke relaties elkaar versterkten. Juist dát maakte Maassluis ontvankelijk voor de LO: bestaande gereformeerde gemeenschapszin, ARP-netwerken en onderlinge loyaliteit sloten er naadloos op aan. Vanuit deze landelijke context kreeg ook het Maassluise verzet vorm — niet als plotselinge verzetscel, maar als een geleidelijke overgang van losse hulp naar georganiseerd verzet.

Vroege hulp en de rol van de familie Molenaar
Al vóórdat sprake was van een formele organisatie, waren Maassluizers actief in de hulp aan onderduikers. Een centrale rol speelde het gezin van kapper Pieter Molenaar (1885–1970) en Maartje Molenaar-Pos aan de Zuidvliet 5.

Het echtpaar Pieter en Maartje Molenaar.

Zoon Jan Molenaar (1912–1995) behoorde tot de generatie die de capitulatie van mei 1940 niet kon verkroppen en de bezetting openlijk afwees. Zijn houding bleef niet onopgemerkt. Op 4 juli 1941 werd hij samen met negentien andere Maassluizers door de Sicherheitsdienst als gijzelaar gearresteerd, naar aanleiding van de anti-Duitse feestelijkheden bij de terugkomst van plaatsgenoot Kabel enkele dagen eerder. De groep werd overgebracht naar Kamp Schoorl en keerde in de loop van september 1941 druppelsgewijs terug naar Maassluis – vermoedelijk om hernieuwde openbare onrust te voorkomen.

Deze arrestaties vormden een vroege waarschuwing van de bezetter, maar werkten eerder averechts: zij bevestigden dat Maassluis bepaald geen volgzaam stadje was. In januari 1942 ging Jan Molenaar met zijn echtgenote Arendje Boer in Vlaardingen wonen. Het contact met Maassluis bleef echter bestaan, terwijl hij zich tegelijk verbond met het Vlaardingse verzet.

Kapperszaak Molenaar op de Zuidvliet Zuidzijde.

De kapsalon van het gezin Molenaar was een herenkapperszaak met links van de ingang een kleine parfumerieafdeling en rechts een hoek met rookartikelen. Juist die combinatie maakte de zaak tot een vanzelfsprekende ontmoetingsplek. De kapsalon fungeerde daardoor niet alleen als werk- en woonplek, maar ook als informele ontmoetingsplek binnen het zich ontwikkelende verzetsnetwerk. Het was volkomen normaal dat er voortdurend mensen in- en uitliepen, waardoor koeriers en onderduikers relatief onopvallend konden binnenkomen. Vanuit deze alledaagse, ogenschijnlijk onschuldige omgeving werden onderduikers opgevangen en doorgeleid naar onderduikadressen in Maassluis en omgeving.

In 1943 kwamen via Jan de eerste onderduikers bij zijn ouders terecht, onder wie Elise Heilmann-Seeligsberg (‘Tante Loetje’) en Louis van Praag. Elise was 53 jaar, doof en diepbedroefd; zij had haar man en twee zonen zien weghalen uit hun huis in Den Haag. Louis kwam uit Leiden, was 24 jaar en getrouwd met Debora ‘Bob’ van Kleeff (18 jaar). Jan bracht hen naar zijn moeder, en Maartje Molenaar stemde zonder aarzeling toe: “Daar hoef ik niet over te denken, dat is mijn plicht.”

Omdat aan de Zuidvliet slechts ruimte was voor twee onderduikers, kon Bob daar niet worden opgenomen. Zij zat elders in Maassluis ondergedoken, bij de familie Wijgerse, dochter en schoonzoon van kapper Molenaar. Zo bleven Louis en Bob, ondanks hun huwelijk, tijdens de onderduik gescheiden.

Van losse hulp naar organisatie
De overgang van losse initiatieven naar een gestructureerde organisatie kwam in 1943, toen Jan Willem Bouwman op verzoek van ds. Slomp de leiding op zich nam van de LO in Maassluis, Maasland en Rozenburg. Bouwman was al sinds 1942 op eigen initiatief actief in de onderduikhulp en opereerde daarbij onder de schuilnaam ‘Henk Jansen’ – een noodzaak in een werkveld waar ontdekking vrijwel altijd arrestatie betekende.

Onder zijn leiding groeide de LO in de regio uit tot een samenhangend en effectief netwerk. Bouwman was niet slechts coördinator, maar feitelijk eindverantwoordelijke voor de plaatsing van onderduikers, de organisatie van distributiebonnen en het onderhouden van contacten met de Landelijke Knokploegen (LKP). Hij verbond lokale adressen met regionale en landelijke lijnen en hield het geheel draaiende onder voortdurend risico. Naar schatting hielp hij via het LO-netwerk circa 250 onderduikers. De logistieke omvang was groot: structureel waren honderden distributiebonnen nodig — een operatie die continu balanceerde op de rand van ontdekking en verraad.

LO en LKP: organisatie en geweld
De snelle groei van het aantal onderduikers bracht een praktisch probleem met zich mee: voedsel. Zonder distributiebonnen was onderduik onmogelijk. De LO kon die bonnen niet legaal verkrijgen, en zo ontstond de noodzaak voor een gewapende tak. In augustus 1943 werden bestaande knokploegen samengebracht in de Landelijke Knokploegen (LKP), onder leiding van onder anderen Leendert Valstar (Bertus), Jacques van der Horst (Louis) en Hilbert van Dijk (Arie).

De LKP pleegde gewapende overvallen op distributiekantoren en bevolkingsregisters om bonnen en blanco persoonsbewijzen buit te maken. Daarmee vormden zij de onmisbare, maar gevaarlijke aanvulling op het werk van de LO. Ook in Maassluis werd deze lijn zichtbaar. Op maandag 10 april 1944, Tweede Paasdag, werd het distributiekantoor aan de Fenacoliuslaan overvallen — een actie die paste binnen het landelijke LKP-patroon en direct ten dienste stond van de onderduikhulp in de regio. Over deze overval is elders op deze website uitgebreid geschreven.

Stukken uit mijn #WO2MS collectie – dossier Jan Willem Bouwman.

Dankzij de samenwerking tussen LO en LKP kon onderduikhulp niet incidenteel blijven, maar structureel worden georganiseerd — ook in een stad waar de risico’s groot waren en de marges klein.

Het netwerk in de praktijk: Rothuizen en Poortman
Hoe het LO-netwerk in Maassluis in de praktijk werkte, wordt zichtbaar in de verhalen van gezinnen die net als de Molenaars hun huis openstelden – soms voor korte tijd, soms voor maanden, altijd onder grote risico’s.

Een bekend voorbeeld is dat van Jacob en Christina Johanna Rothuizen, wonend aan de Noordvliet 33. Beiden waren onderwijzer aan de Groen van Prinstererschool en diep geworteld in het gereformeerde milieu. Met elf kinderen, waarvan er zeven nog thuis woonden, en drie zoons die zelf moesten onderduiken vanwege de Arbeitseinsatz, had het gezin alle reden om voorzichtig te zijn.

Woning (links naast de bank) van het echtpaar Rothuizen aan de Noordvliet 33.

Zij namen in de zomer van 1944 Elise Heilmann-Seeligsberg in huis, die moest vertrekken bij de kapper aan de Zuidvliet toen dat adres te veel in de belangstelling van de Duitsers kwam te staan. Via het LO-netwerk, waarschijnlijk onder leiding van Jan Willem Bouwman, werd zij vervolgens overgebracht naar het gezin Rothuizen.

Elise kreeg een kamer boven de keuken en leefde mee in het gezin. Op een keer ging Jacob Rothuizen met zijn zoon Pieter naar een geheime voedseldistributie, door het verzet georganiseerd ten behoeve van families met Joodse onderduikers. Toen zij het gebouw verlieten met een zak aardappelen, hield een Maassluise politieagent hen staande en zei: “Ik weet wat jullie doen. Als je na de oorlog ten gunste van mij zult getuigen, zal ik jullie niet arresteren.” Jacob stemde in, maar bracht Elise uit voorzorg onder op een ander adres.

Elise overleefde de oorlog; Jacob en Christina Rothuizen werden op 9 juni 2016 door Yad Vashem postuum erkend als Rechtvaardigen onder de Volkeren.

Ook de familie Poortman aan de Groen van Prinstererkade 19 maakte deel uit van dit netwerk. Catharinus Daniël Poortman en Maria Poortman-van der Burg boden in de laatste negen maanden van de oorlog onderdak aan Louis van Praag die ook weg moest aan de Zuidvliet. Hij verbleef vrijwel voortdurend binnenshuis; bij bezoek moest hij boven blijven en volledig stil zijn. Extra voedselbonnen werden via het verzet geregeld. Toen er geruchten ontstonden over een mogelijke onderduiker, werd ook hier overwogen hem te verplaatsen – illustratief voor de voortdurende spanning waarin deze gezinnen leefden. Na de bevrijding kon Louis weer vrij in en uit lopen; kort daarna keerde hij samen met Bob terug naar Leiden. De dankbaarheid richting de familie Poortman bleef levenslang.

Verzet als netwerk
De LO in Maassluis draaide niet om één leider of een kleine groep uitgesproken verzetsmensen. Het was een netwerk van mensen die ieder deden wat zij konden. Predikanten brachten mensen met elkaar in contact, anderen regelden adressen en bonnen, gezinnen stelden hun huis open en jongeren namen risico’s waarvan niemand wist hoe het zou aflopen.

Wat hen bond was geen behoefte aan heldendom, maar een gevoel van verantwoordelijkheid. Achteraf werd dat vaak eenvoudig verwoord met: “We deden wat nodig was.” Dat betekende plannen maken, zwijgen wanneer dat moest, improviseren – en soms niet meer hebben dan gezond verstand en een beetje bluf.

Dat dit alles gebeurde in gewone Maassluise straten en huizen, maakt het verhaal niet uitzonderlijk, maar juist typerend voor hoe verzet in Nederland vaak werkte.

Met dank aan:
– Bernard Bouwman
– Jan van Gelderen
– Ruud Broekman
– Branko Bakker

Bronnen:
– Persoonlijke aantekeningen Jan Willem Bouwman
– Persoonlijke aantekeningen Jan Molenaar
– Persoonlijke aantekeningen mw. C. van Dijk-Molenaar
– Interview met mevr. C. van Dijk-Molenaar op 6 juni 2017
– Wikipedia – De vrije encyclopedie
– Verzetsmuseum Amsterdam

Afbeeldingen:
– Collectie #WO2MS – Jan Willem Bouwman
– Jan van Gelderen
– HVM Collectiebank
– Beeldbank WO2 | NIOD, Amsterdam

Gepubliceerd op:

woensdag 7 januari 2026