Verzetsherinneringen ‘40-‘45 van Jack (Koos) Meijer

Regelmatig spit ik door mijn #WO2MS archieven en van de week kwam ik een mapje tegen met daarin de aantekeningen van mijn bezoek aan wijlen heer Jack Meijer. Ik had destijds zijn boek ‘Maassluis en Maasland in de Tweede Wereldoorlog’ gelezen en wilde graag een keer met hem in gesprek. Op donderdag 2 juli 2009 bezocht ik de zeer sympathieke 82-jarige Jack Meijer in zijn huis aan de Commandeurskade in Maasland. Het was een heerlijk gesprek en na afloop stuurde hij mij een hoop documentatie. Waaronder dit onderstaande artikel welke hij in 1993 had geschreven voor de Vereniging Voormalig Verzet L.O.-L.K.P. Vlaardingen/Westland. Jack Meijer woonde in 1940 aan de Van der Horstraat 25, wat toen nog Maasland was. In 1941 werd de gemeentegrens gewijzigd en behoorde de Van der Horststraat voortaan tot de gemeente Maassluis.

Mijn vader (Koen Meijer) was al vroeg bij de verzetsgroep de ‘Geuzen’ aangesloten, dus illegaal actief, waar ik, op 1 juni 40 pas 13 jaar geworden, aanvankelijk uiteraard geen weet van had. Mijn vrije tijd bracht ik grotendeels door bij enkele bevriende boeren: Jaap v.d. Sar aan de Weverskade en Joost de Jong aan de Commandeurskade. Mijn liefde voor paarden vond daar een uitlaatklep, al jong ging ik mee melk rijden naar de melkcentrale, met hooi rijden en andere activiteiten, waardoor ik al gauw leerde mennen.

In november 1940 werd mijn vader op Rozenburg gearresteerd bij spionagewerk. Met mede-geus Pols, kruidenier op de Noordvliet in Maassluis, had hij tevoren zodanige afspraken gemaakt, dat hij het naar ‘zwarte handel’ kon leiden. Beiden werden daarvoor veroordeeld en na de oorlog officieel gerehabiliteerd. De arrestatie, de twee huiszoekingen, de veroordeling en de verschillende bezoekers van de laatste maanden, die voorheen nooit en toen regelmatig kwamen, hadden bij mij een lichtje ontstoken. Toen december ‘40 één dier bezoekers, te weten Sjaak Boezeman, werd opgepakt, verschillende zaken thuis plotseling werden verborgen of verbrand en vervolgens diverse kennissen en regelmatige bezoekers (Aart Brouwer, Jan van Dijk, Jo v.d. Lee, Jan Valkenburg, Bas Strijbos, e.a.) werden opgepakt, kreeg ik zekerheid, over datgene, waar mijn vader mee bezig was en onverstoorbaar voortging. Elke toespeling om daarbij assistentie te mogen verlenen werd, achteraf logisch gezien mijn leeftijd, genegeerd. Ik moest me maar met mijn huiswerk bezighouden.

Mijn vader had inmiddels een illegale groep gevormd, wat mij niet was ontgaan. Diverse leden daarvan ontmoette ik regelmatig, doch ik kreeg nog steeds geen kans in dat geheel een rol te spelen. In oktober 1942 werden de joodse gezinnen van Gelderen en Coltof uit Maassluis opgepakt en op transport gesteld, opnieuw een reden om mee te willen doen. Op de zwemclub, ik waterpolode toen, had ik veel contact met Wim Boudewijn, die ik ook kende als een van mijn vaders mannen. Deze had verkering met Miep Vrij, hartsvriendin van de op transport gestelde Bep Van Gelderen. Logischerwijze spraken we uitgebreid over het leed, dat beide joodse gezinnen was aangedaan, waarbij ook mijn verlangen om ‘wat te doen’ weer aan de orde kwam. Wim bleek bij de verspreiding van het illegale blad ‘Vrij Nederland’ te zijn betrokken en was bereid mij daarin een (steeds groeiend) aandeel te geven. Mijn leeftijd – 15 jaar – tot dat moment steeds een beletsel geweest om illegaal werk te mogen doen, werd nu een pré. Op schooljongens zouden de Duitsers namelijk minder letten. Toen in januari 1943 ‘Trouw’ verscheen, nam dat al snel de plaats van ‘Vrij Nederland’” in onze omgeving grotendeels over.

Via Wim werd ik ook bij de verspreiding daarvan betrokken. Ik besefte uiteraard, dat het riskant werk was en had daarom een hekel aan het bijbehorende incasseren van geld, wat ik een groot risico vond. Velen wisten daardoor dat ik bij dat werk betrokken was. Het verspreiden van de krantjes was verder een vrij contactarm gebeuren. Wim deponeerde mijn portie in enkele enveloppen in de ouderlijke brievenbus en eens per maand deed ik een enveloppe met geld in zijn brievenbus aan de Noordvliet te Maassluis.

Zomer 1943 vroeg mijn vader mij, inmiddels 16 jaar geworden, enkele Duitse objecten voor hem te bekijken en daarna thuis nauwkeurig te beschrijven en/of te tekenen. Voor wat de overkant van de Waterweg betreft werd dat werk vergemakkelijkt (en daarom vroeg hij het mij denk ik), doordat ik inmiddels een Rozenburgse schoolvriend had, Hans Lievaart, waarmee ik dagelijks naar de Vlaardingse H.B.S. heen en weer fietste. Zijn vader had een groot landbouwbedrijf, Lievaart en van Zanten, met over het hele eiland verspreid aardappel-, koolzaad-, bieten-, vlas-, tarwe- en aardbeien-velden. Ik ‘versierde’ daar een baantje, formeel voor zakgeld, dagelijks voedsel en tarwe, aardappelen en koolzaad voor thuis. Het bestond uit het na school en voor spertijd in de vakanties en ‘s-zaterdags, ophalen van de dagelijkse oogst van de verschillende akkers, met paard en wagen. Een en ander werd dan de volgende ochtend door knecht Leen Goudappel naar o.a. de Maaslandse veiling gebracht. Ik kreeg zo de kans op het grootste deel van het eiland te komen, zonder dat dit bij de bezetters argwaan wekte.

Ook toen het eiland niet langer voor eenieder toegankelijk was kreeg ik voor dat werk een ausweis, waar ik na september 1944, spoorwegstaking en geen fiets meer, dus niet meer naar school in Vlaardingen, hele dagen van gebruik kon maken. Het werd toen wel moeilijk de baas niet te laten merken wat ik werkelijk, naast het werk voor hem, op het eiland uitvoerde. Pas kort voor de capitulatie werd mijn ausweis ingenomen; het toen inmiddels als veerboot dienstdoende roeibootje met aanhangmotor werd toen buiten dienst gesteld. Ook dit werk, aanvankelijk als assistent van mijn vader, maar al zeer snel zelfstandig, in opdracht van later te noemen Bouwman was uiteraard riskant. Naast de kans op toevallige ontmaskering waren er dagelijks vele controles, bij het komen en gaan met de boot, maar ook op diverse vaste en op vaak onverwacht wisselende plaatsen op het eiland. Gewoon doen en niet opvallen was het parool; je moest voortdurend op je hoede zijn. Ook bij dit werk was ik solistisch werkzaam. Een opdracht van Bouwman gaf bijna altijd een langere periode werk en de resultaten deponeerde ik in zijn brievenbus aan de Haven te Maassluis.

In de zomer van 1944 verbleef ik meestal ‘s-nachts thuis en overdag bij boer Leen Sonnenveld aan de Nolweg. Officieel als onderduiker, omdat grotere 17-jarigen toen duidelijk risico liepen om opgepakt te worden en om thuis ‘uit de voeding’ te zijn. Er was echter een belangrijker reden voor. Sonnenveld moest om de andere werkdag een paard en wagen met voerman leveren voor het rijden van bouwmateriaal voor Duitse versterkingen in de kuststrook. Hij liet dat logischerwijze liever door mij doen dan door zijn ervaren en enige knecht, Arie van Dintel. Dus meldde ik mij driemaal in de week, met span, bij de Oranjesluis. Die zag er toen heel anders uit dan nu. Er waren bunkers en woonverblijven voor de bezetting om en aangebouwd en door geraffineerde camouflage zag het geheel eruit als een groepje huizen met winkel. Het sluisgebouw zelf had namelijk met verf opgebrachte nep-etalages.

Elke keer was er een hele rij wagens, met om de twee à drie een bewapende Duitser op de bok. Elke wagen had een ‘vorderingsbevel’ opgeplakt, om aan te geven dat het een officieel voor dat doel gevorderde wagen met voerman was. Het nummer van dat papier werd bij binnenkomst en vertrek bij de doorlaatpost gecontroleerd en genoteerd. Binnen de ‘Vesting’ moesten hout, zand, balken, planken boomstammen etc. worden vervoerd, dan hier en dan daar heen. Een schitterende mogelijkheid om verdedigingswerken, posten en posities in mij op te nemen, soms meerdere malen en later thuis te verwerken. De uitgewerkte gegevens gingen naar ene Bouwman aan de haven te Maassluis, van de inlichtingendienst. Het moest zo, maar ik vond het een griezelige zaak, omdat betrokkene enige tijd nogal dubieus bekend stond in Maassluis, met name door het door hem naar Duitsland verwijzen van nogal wat werkloze Maassluizers. Hij is echter uiteindelijk als goed verzetsman erkend. Overigens zagen we elkaar alleen bij een nieuwe opdracht, waarbij hij mij altijd wel ergens wist te vinden.

Aflevering van materiaal ging meestentijds per enveloppe in de brievenbus aan de Haven, waartoe ik de beschikking had over een aantal grote gemeente enveloppen. Ook bij het werk binnen de vesting was het zaak de zenuwen in bedwang te houden, met name ook, omdat er nogal eens onverwachte controles, met visitatie en ‘zakken leeg’, waren. Daar kwam bij, dat er nogal eens geallieerde vliegeraanvallen op de vesting werden gedaan, zodat getroffen worden door je eigen bondgenoten bepaald niet onmogelijk was. Het werk voor Trouw ging overigens, tussen 18.00 en 20.00 uur, gewoon door en eind oktober 1944 kwam daar nog de dagelijkse verspreiding van ‘Het Laatste Nieuws’, een illegaal blad voor Maassluis, Maasland, Maasdijk, Rozenburg (waar ik nog steeds mocht komen) en omstreken bij, weer via Wim Boudewijn en onze brievenbus. Vanaf oktober noteerde ik bovendien, net als een viertal anderen, elk op eigen adres, in telegramstijl de voornaamste punten van het radionieuws uit Londen. Daarbij werd een taalgebruik ontwikkeld, dat enerzijds voldoende houvast bood voor het beoogde doel, doch anderzijds geen duidelijk belastende gegevens leek te bevatten als het papiertje onverhoopt in verkeerde handen zou vallen. De bedoeling was overigens dat het in bedreigende omstandigheden zou worden doorgeslikt. Die papiertjes gingen eveneens per enveloppe en brievenbus, nu echter naar v.d. Burg op de Weverskade. De redactie had zo, ondanks de Duitse stoorzender, altijd wel voldoende betrouwbare gegevens voor in het komende nummer.

Tezelfdertijd kreeg ik als hoofdverspreider, ook tot taak dagelijks grotere hoeveelheden van het blad af te leveren op enkele adressen, waar vandaan ze dan weer verder werden verspreid. Dat was o.a. bij Oom Jan Doelman in Maasland en bij Ds. Brouwer en schoolhoofd Vermeer op Rozenburg. In Maasdijk deponeerde ik ze in een schuurtje van ene Hoogendonk. Zelf moest ik ze dagelijks ophalen uit een schuurtje achter eerdergenoemde v.d. Burg, verborgen in een takkenbos, die suggereerde, dat ik hout had gesprokkeld voor de majo. Boven mijn takkenbos stond de letter K (van Koos) op de houten wand.

In oktober en november 1944 verbleef ik overdag en soms ook ‘s-nachts op de Poelwoning, bij Joost de Jong, in Maasland. Gedeeltelijk omdat het gevaar van oppakken door de Duitsers steeds groter werd, op 10 en 11 november 1944 waren er b.v. razzia’s in Rotterdam, Schiedam en Vlaardingen en op 18 november in ‘s-Gravenzande, maar ook om thuis uit de voeding te zijn. Op laatstgenoemde datum streek een groep uit Frankrijk verdreven, gedemoraliseerde Duitsers in Maasland neer om te recupereren. Ook bij de Poelwoning verscheen een aantal huifkarren, waarin het een onvoorstelbare chaos was. De paarden werden bijna allemaal gestald en vervolgens vertrok het hele gezelschap, op een wachtsman na, met vier paarden en één wagen. Later bleek, dat twee wagens in de Gaag waren verdaagd, die er met man en macht moesten worden uitgehaald. De wachtsman liep regelmatig een rondje langs de wagens en ging van tijd tot tijd de stal in voor controle en verzorging van de paarden. Ik heb toen uit dat zestal karren een 46-tal Duitse handgranaten uit de chaos opgespoord en verdonkeremaand. De helft ervan ging naar de KP-Westland, de andere helft naar de Maassluise illegaliteit.

In die tijd deed ik ook mee aan schietoefeningen, eerst droog, later echt in een grote schuilkelder van de Enkes-fabriek, naast Starlift in Voorburg. Dat laatste gebeurde twee keer in kleine groepjes. We gingen op de ‘rammelfiets’, naar ik me herinner was ik samen met Koos Bot, Wim Boudewijn, v.d. Bovenkamp, Henk de Bruin en Leen Groenewegen. We arriveerden na sluitingstijd van de fabriek en gingen voor spertijd de fabriek in waar we overnachtten in de E.H.B.O. ruimte. Na 6 uur in de ochtend aanvaardden we de terugweg en omstreeks 8 uur waren we weer in Maassluis, veiligheidshalve in twee groepjes.

In december 1944 en januari en februari 1945 onderhield ik het contact tussen mijn ondergedoken vader, commandant van het Maassluise verzet en dat verzet. Achtereenvolgens tussen Poelwoning Maasland, (waar hij aanvankelijk mijn plekje had betrokken) huisdokter Birnie in Vlaardingen, huis antiquair Vaarties in Rotterdam, Laan van Sevenstar (fam.van Tuyl) in Voorburg Rijswijkseweg (fam.de Hoog) in Den Haag en Agrippinastraat 33 in Voorburg, zijn achtereenvolgende schuiladressen en de heren van Luijpen, van Baalen, Bouwman, Kres en/of v.d. Kooij anderzijds. Alles op de ‘anti-plof-fiets’, in dit geval met een dik touw in de voorvelg en een reep autoband achter. Dat eindigde doordat ‘Oom Piet’ tweede helft februari 1945 een nieuwe plaatselijke commandant voor Maassluis aanstelde, omdat terugkeer van mijn vader niet te verwachten was; hij werd door de Duitsers gezocht en was in Maassluis en omgeving te bekend. Daarna werd overigens af en toe nog wel informatie via mij uitgewisseld. Daarbij had ik ook contact met Jan Steman, die berichten naar Londen kon doorgeven.

Hij wisselde steeds van adres, o.a. Beeklaan, Vreeswijkstraat, Rijswijkseweg, Cylinderstraat en Zuiderparklaan in Den Haag en Julianalaan en Westeinde in Voorburg. Mijn vader had al in de zomer van 1944 contact met Steman. Daaruit bleek toen, dat Londen behoefte had aan bepaalde gegevens van Rozenburg, die al in 1943 waren doorgezonden. Toen onbegrijpelijk, doch later bleek, dat ze in handen gevallen waren van de beruchte Anthonie v.d. Waals en Engeland nooit hadden bereikt. In de nazomer van 1944 moesten die gegevens dus nogmaals worden verzameld. Bij een van die tochten naar Den Haag werd kort na mijn binnenrijden het stadsdeel Beeklaan, Zuiderparklaan, Vreeswijk- straat, Goudenregenstraat e.o. afgezet, ik belandde in een razzia en kon geen kant op. Ik weet niet eens meer (door de plotselinge spanning misschien) waar ik mij toen precies bevond. Tegen beter weten in ging ik een portiek binnen en maakte mij daar zo klein mogelijk. Tot mijn verbazing ging even later één van de huisdeuren open en mocht ik binnenkomen bij wildvreemde mensen. Ik werd naar de zolder gebracht en daar onder een met hout afgeschoten dak punt verborgen. Daarna hoorde ik allerlei op zolder staande voorwerpen voor mijn schuilplaats zetten en vervolgens mijn redster naar beneden gaan. Zeker anderhalf uur heb ik daar in de zenuwen gezeten zonder dat er iets gebeurde.

Het was haast een opluchting toen met veel lawaai op de voordeur de huiszoeking werd aangekondigd. Ik hoorde de Duitsers binnenkomen, beneden rond rommelen en wat later de trap naar de zolder opkomen. Allerlei spullen werden opzij gegooid en ik vreesde het ergste, maar het onderzoek van de afgeschoten zoldergedeelten bleef beperkt tot het op enkele plaatsen doorprikken van het beschot met de bajonet. Ik schoof geruisloos tot het uiterste puntje onder het schuine dak en anderzijds staken de bajonetten niet diep, zodat ik geen lichamelijke schade opliep, maar mijn zenuwen werden wel even zwaar op de proef gesteld. Even later hoorde ik mijn belagers naar beneden gaan en het pand verlaten, waarna ik uit mijn ‘hol’ werd bevrijd. Ongeveer een uur later werd de wijk vrijgegeven en kon ik mijn weg vervolgen. Het briefje met enkele kernwoorden, dat ik bij mij had, was nog intact, hoewel het geruime tijd in mijn mond had gezeten, gereed om door te slikken. Het (potlood)schrift had niets geleden!

Eind 1944, begin 1945 hielp ik enkele malen met het verplaatsen van de Maassluise wapens, eerst van de Nutsspaarbank naar een voormalig haringpakhuis aan het Zandpad en enige tijd later naar een baarhuisje op de Algemene Begraafplaats. Ook waarschuwde ik een aantal malen mensen voor op handen zijnde razzia’s, waarvoor een goed waarschuwingssysteem was opgezet en verzorgde voor hen schuilplaatsen op schepen van v.d. Tak en de Haas in de Haven, te midden van de Duitse marineschepen, in het gebouw van de Protestantenbond en in de Christelijk Gereformeerde kerk, beiden in de Lange Boonestraat en in enkele haringpakhuizen en de fabriek van Trouw en Co aan het Zandpad. In die periode heb ik meerdere malen gepost nabij een pand op de hoek van de Koningin Wilhelminalaan en de Prins Mauritsstraat in Maassluis, waar aannemer Onderdelinden woonde. Ik moest daar uitkijken naar een “abnormaal forse en lelijke man en naar dochter Tiny Onderdelinden, die ik goed kende. Af en toe kwam er dan iemand langs, o.a. Leen Groenewegen en Henk de Bruin, om te informeren of er iets te melden was.

Los daarvan was afgesproken dat ik dhr. Bouwman of Arie v.d. Vaart (van twee verschillende verzetsgroepen, dus het zal wel een zaak van meer dan plaatselijk belang zijn geweest) moest waarschuwen als ik een van de gezochte figuren het bewuste pand zag binnen gaan. Pas na de oorlog bleek mij dat het hier om de beruchte verrader Lindemans (King Kong) en zijn vriendin ging. De capitulatie betekende voor mij extra werk voor ‘Het Laatste Nieuws’ (grotere oplage, extra edities, bulletins, aanplakbiljetten etc.) meehelpen met het ophalen van ‘foute’ Maassluizers, assistentie van Mr. Wagner en mr. Poortman van de politieke opsporingsdienst (P.O.D.) bij hun opsporingswerk. Dat laatste leidde uiteindelijk tot een functie bij het Bureau Nationale Veiligheid, de latere Nederlandse Veiligheidsdienst, waar ook Trina Bosma, Ton Kloots en andere verzetscollega’s weer als burger begonnen.

De heer Jack Meijer is helaas een paar maanden na ons gesprek op 26 oktober 2009 overleden.

Gepubliceerd op:

dinsdag 11 februari 2025