Officieel had de Landwacht tot taak de openbare orde te handhaven en strategische objecten te bewaken. In de praktijk hield zij zich vooral bezig met het opsporen van onderduikers, het uitvoeren van nachtelijke huiszoekingen en het controleren van burgers. Door hun bewapening en optreden kregen landwachters al snel de bijnaam ‘Jan Hagel’, een spottende term die breed ingang vond in de volksmond.

Oprichting van de Landwacht in Maassluis
In februari 1944 werd ook in Maassluis een afdeling van de Landwacht gevormd. De eenheid telde slechts tien man, vrijwel allemaal lokale NSB’ers:
Carel Nulle (commandant), Berend Loerts, Kees Heyink, Lein Francke, Jaap Francke, Cor van Nuland, Albert Ripke sr., Ary van der Lely, Jacob van der Lely en Antonie Kardol.
De eerste Maassluizer die zich aanmeldde was Jacob Koene, radiotechnicus en exploitant van de Maassluise Radiocentrale. Koene was kort daarvoor benoemd tot wethouder van Licht- en Waterbedrijven, een benoeming die onder duidelijke politieke druk tot stand kwam. Hij ambieerde ook het commandantschap van de Landwacht, maar die functie ging naar Carel Nulle, die ouder was, langer lid van de NSB en als betrouwbaarder werd beschouwd door de gewestelijke leiding. Koene trad daarop uit de Landwacht, maar bleef als wethouder onderdeel van het lokale bestuursapparaat tijdens de bezetting.
Carolus (Carel) Joseph Nulle werd geboren op 27 december 1893 te Oegstgeest. In 1926 trouwde hij met Pietje Middendorp. Hij was elektrotechnicus en als sinds 1933 lid van de NSB. In januari 1943 werd hij benoemd tot directeur van het Gemeentelijk Licht- en Waterbedrijf Maassluis en betrok hij een dienstwoning aan Haven 41.
Begin 1944 werd Nulle commandant van de Maassluise Landwacht. Volgens zijn eigen naoorlogse verklaringen beschouwde hij zijn rol vooral als een bewakingsfunctie. Bij door hem geleide acties vonden geen arrestaties plaats, al maakte hij als commandant wel deel uit van een organisatie die structureel werd ingezet voor repressieve taken.
In september 1944 verbrak Nulle de samenwerking met de Landwacht en werd de Maassluise afdeling ontbonden. Op 6 maart 1945 drong een groep onbekende Maassluizers zijn woning binnen, waarbij Nulle ernstig werd mishandeld. Na de bevrijding werden hij en zijn echtgenote gearresteerd door de Binnenlandse Strijdkrachten en geïnterneerd in De Vergulde Hand.
Een geïsoleerd korps
Opmerkelijk is dat de Maassluise Landwacht nauwelijks steun genoot van de plaatselijke NSB-afdeling. Groepsleider Dirk Dobbelstein distantieerde zich expliciet van het zogenoemde ‘beschermingskorps’, dat volgens hem niet de belangen van het Nederlandse volk diende, maar rechtstreeks onder invloed stond van SS-Obergruppenführer en General der Waffen-SS Hanns Albin Rauter. Hierdoor opereerde de Landwacht grotendeels zelfstandig, los van zowel de NSB-afdeling als de reguliere politie.
Eerste inzet: nasleep distributiekantoor
De eerste concrete inzet van de Landwacht Maassluis vond plaats in de nacht van 21 op 22 april 1944, in de nasleep van de overval op het distributiekantoor aan de Fenacoliuslaan. Deze overval maakte deel uit van bredere verzetsactiviteiten rond bonkaarten en distributie, waarbij meerdere Maassluizers betrokken waren. De voorbereiding, uitvoering en gevolgen van deze actie zijn elders op deze website uitgebreid beschreven.
Op verzoek van korpschef Filip Caspers assisteerde de Landwacht bij de arrestatie van Jan Spaans en Frits Schiebelhout, verdacht van handel in gestolen bonkaarten. Carel Nulle, Berend Loerts en Cor van Nuland verschenen in burger, voorzien van een rode armband en bewapend met een jachtgeweer. De landwachters namen posities in rond de woningen; Caspers en agent Modderkolk verrichtten de arrestaties en huiszoekingen. Dit was een van de weinige momenten waarop de Landwacht formeel samenwerkte met de politie. Daarna opereerde de groep-Nulle vrijwel volledig zelfstandig.
Nachtelijke huiszoekingen
Vanaf het voorjaar van 1944 organiseerde de Landwacht Maassluis op eigen initiatief meerdere huiszoekingen, meestal ’s nachts en gericht op onderduikers die zich aan de Arbeitseinsatz probeerden te onttrekken.
Eind april 1944 viel een vijfkoppige ploeg binnen in het huis van Andries Vreeswijk aan de Olivierstraat 13. Vreeswijk zelf was ondergedoken en niet aanwezig. Zijn tachtigjarige vader en zus Jannetje waren thuis. Het huis werd volledig doorzocht. Enkele minuten na vertrek keerde de ploeg terug voor een tweede doorzoeking. Volgens de latere getuigenis van Jannetje gedroegen de landwachters zich brutaal en onbeschoft; haar vader raakte zichtbaar overstuur.
Op 3 en 4 mei 1944 trok de Landwacht naar de Trekkade in Maasland, waar tuinder Frans Eigenraam woonde. In zijn woning hield hij twee onderduikers verborgen. Eén wist te vluchten, de ander was niet aanwezig. De woning werd intensief doorzocht, zonder resultaat.
In augustus 1944 deed de Landwacht een inval bij Dirk Koevoet in de Hendrik Schoonbroodstraat. Men zocht naar een ondergedoken broer. Deze werd niet gevonden, maar volgens naoorlogse verklaringen maakte het intimiderende optreden van landwachter Kees Heyink diepe indruk op Koevoets moeder en zuster, die aan een zenuwaandoening leed.
Inval bij kapper Molenaar
De meest ingrijpende actie van de Maassluise Landwacht vond plaats in de nacht van 11 op 12 augustus 1944 bij kapper Pieter Molenaar aan het Zuidvliet. Molenaar was actief in het verzet en hielp onderduikers, waaronder joodse onderduikers. Over deze inval bestaat een gedetailleerd verslag van zijn zoon Jan Molenaar, dat ook elders op deze website is gepubliceerd.
De Landwacht doorzocht de woning en vond levensmiddelenkaarten en een brief waarin positief werd gesproken over de dood van NSB’er Reydon. De joodse onderduikers werden niet aangetroffen. Enkele uren later volgde een tweede inval, ditmaal door de Sicherheitsdienst uit Schiedam. Pieter Molenaar werd vervolgens wekenlang vastgezet. Ook zijn dochter Miep werd opgepakt en verhoord.
Het optreden van de Landwacht fungeerde hier duidelijk als voorportaal van directe Duitse repressie.

Controles, arrestaties en misbruik
Naast huiszoekingen hield de Landwacht zich bezig met sper-, verduisterings- en voedselcontroles.
In juli 1944 werd het station van Maassluis afgegrendeld tijdens een routinecontrole. Gerrit van Tielen werd door Jaap Francke onder dreiging van een jachtgeweer aangehouden, ondanks de aantoonbare tegenzin van commandant Nulle. Van Tielen werd overgedragen aan de Arbeidsdienst en wist later te ontsnappen.
Voedselcontroles boden ruimte voor misbruik. Getuigen verklaarden na de oorlog dat in beslag genomen levensmiddelen niet altijd op het politiebureau werden afgegeven. Toen Dirk Kooij hierover navraag deed, werd hij gearresteerd en verhoord. De impliciete boodschap was duidelijk: wie controleurs controleerde, liep risico.
Een kleine groep, grote gevolgen
De Landwacht Maassluis telde slechts tien man, maar hun optreden had een grote impact op de lokale bevolking. Met nachtelijke invallen, intimiderende controles en nauwelijks gecontroleerde bevoegdheden droegen zij actief bij aan de onderdrukking van Maassluizers tijdens de bezetting.
De naoorlogse bewering van sommige leden dat zij ‘terughoudend’ zouden zijn geweest, staat haaks op de ervaringen van degenen bij wie zij ’s nachts op de stoep stonden. De Maassluise Landwacht was geen toevallige ontsporing, maar een lokale uitwerking van een systeem dat bewust was ingericht om angst te zaaien en verzet te breken.
Na de bevrijding werden alle leden opgepakt door de Binnenlandse Strijdkrachten. Lein Francke overleed tijdens zijn verhoor op 8 mei 1945. De overige leden komen allen voor in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR).