Abraham treedt in de voetsporen van zijn vader en speelt later zelf een belangrijke rol binnen de joodse gemeenschap. Hij is enige tijd voorzitter van het bestuur en zet zich actief in om het religieuze leven in stand te houden, juist wanneer het aantal leden sterk terugloopt. Dankzij zijn inzet blijven de joodse feestdagen in de Maassluise synagoge gevierd worden.

Een fotoatelier aan de Noordvliet
In 1911 laat Levi Coltof aan de Noordvliet 69 een woonhuis met fotoatelier bouwen, ontworpen door de Vlaardingse architect Arij van Maarleveld. In datzelfde jaar wordt het fotoatelier L. Coltof & Zoon opgericht, hoewel Levi al eerder als fotograaf werkzaam is.
Lang blijft Levi niet in Maassluis: nog in 1911 vertrekt hij naar Rotterdam. Abraham zet het atelier voort en blijft er tot 1942 wonen en werken.
Hij heeft het vak geleerd bij een fotograaf in Rotterdam. Op 16 mei 1911 trouwt hij met Rosa Kan, afkomstig uit Oldenzaal. Samen krijgen zij twee kinderen: Louis Arnold (geboren 11 maart 1912) en Helena ‘Leni’ (geboren 29 mei 1916).
Rosa speelt een belangrijke rol binnen het bedrijf. Zij leert het vak van haar man en neemt regelmatig het werk in Maassluis over wanneer Abraham elders actief is. Naast het atelier in Maassluis zijn er ook vestigingen in Naaldwijk en ’s-Gravenzande.

De fotograaf van Maassluis en het Westland
Jarenlang is het atelier van Abraham Coltof het enige in Maassluis en het Westland. In een tijd waarin particulieren zelden zelf fotograferen, is zijn werk van grote betekenis.
Hij maakt bruidsfoto’s, familieportretten en groepsfoto’s, maar krijgt ook veel opdrachten voor zogenoemde doodsportretten. Vaak is er geen afzonderlijke foto van de overledene beschikbaar. In zulke gevallen vergroot hij een bestaand groepsportret en haalt daar het gezicht van de overledene uit. Deze vergrotingen worden vrijwel altijd geretoucheerd. Zowel op het negatief als op de afdruk brengt Coltof — een begaafd tekenaar — correcties en aanvullingen aan.
Het atelier is gesloten op sabbat. In plaats daarvan is het geopend op zaterdagavond en zondag. Klanten wachten op zaterdagavond vaak al tot de sabbat voorbij is. Deze afwijkende openingstijden leiden in oktober 1918 zelfs tot discussie in de gemeenteraad. De Maassluise burgemeester Dommisse stelt:
“Of de zondag moet door allen gevierd worden als rustdag, dus ook door de Israëlieten, of we moeten dezen hun eigen rustdag laten.”
Een mislukte vluchtpoging
Bij het uitbreken van de oorlog proberen Abraham en Rosa Coltof nog aan de dreiging te ontkomen. Vanuit Hoek van Holland hopen zij een schip naar het buitenland te nemen. Wanneer zij daar aankomen, blijken er echter geen boten meer beschikbaar. De kans om te vluchten is verkeken en het echtpaar keert noodgedwongen terug naar Maassluis.
Arrestatie en deportatie
Op zondag 18 oktober 1942 bereikt de vervolging van de joodse inwoners van Maassluis een beslissend moment. In de loop van de dag neemt Untersturmführer Becker telefonisch contact op met de Maassluise politie met de opdracht om twee joodse families te arresteren: het gezin Van Gelderen en Abraham Coltof en zijn vrouw Rosa Kan.
Diezelfde avond, omstreeks acht uur, worden de arrestaties uitgevoerd. De familie Coltof wordt overgebracht naar het politiebureau aan de Markt en daar ingesloten. Het optreden verloopt volgens de politie “zonder moeilijkheden”.
Dat deze arrestaties met betrokkenheid van de lokale politie plaatsvinden, blijkt uit latere getuigenissen. In 2000 vertelt oud-Maassluise politieagent Jacob Huisman in een interview over zijn rol bij het ophalen van een Joodse fotograaf en diens vrouw.

Na de arrestatie worden direct maatregelen genomen ten aanzien van hun bezittingen. De woning van Coltof wordt vrijwel onmiddellijk door de Wehrmacht gevorderd — met uitzondering van het fotografisch atelier. Tijdens de afhandeling meldt politieagent Stephan Schadée aan de Duitse autoriteiten dat Coltof ook panden bezit in Naaldwijk en Rotterdam. Abraham Coltof weigert hierover nadere informatie te geven.
In een rapportage aan de procureur-generaal in Den Haag en de officier van justitie in Rotterdam noteert Schadée later dat het in de woning aanwezige geld in beslag is genomen en, tegen ontvangstbewijs, is overgedragen aan de Sicherheitsdienst.
De volgende ochtend, op maandag 19 oktober, worden de vijf arrestanten per trein naar Rotterdam overgebracht, onder begeleiding van een Maassluise politieagent. Daar worden zij overgedragen aan de Sicherheitsdienst.
Via Rotterdam worden zij naar Amsterdam vervoerd, waar zij in de Hollandsche Schouwburg terechtkomen, de verzamelplaats voor Joden die op transport worden gesteld. Op donderdag 22 oktober moeten zij te voet naar station Muiderpoort, vanwaar de trein naar kamp Westerbork vertrekt.
Kamp Westerbork, officieel Polizeiliches Durchgangslager Westerbork, fungeert als doorvoerkamp. Vanuit hier vertrekken in totaal 93 transporten naar vernietigingskampen als Auschwitz, Sobibor, Theresienstadt en Bergen-Belsen. Van de meer dan 100.000 gedeporteerde Nederlandse Joden overleven er slechts ongeveer 5.000 de oorlog.
Op vrijdag 23 oktober 1942 vertrekt het 30e transport vanuit Westerbork naar Auschwitz, waarmee 988 personen worden gedeporteerd, onder wie Abraham en Rosa Coltof.
Vermoord in Auschwitz
De trein arriveert op maandag 26 oktober 1942 in Auschwitz. Direct na aankomst worden Abraham Coltof en Rosa Coltof-Kan vermoord in de gaskamers.
Met hun dood verdwijnt niet alleen een gezin, maar ook een zichtbaar onderdeel van het maatschappelijke en culturele leven van Maassluis. Het fotoatelier, jarenlang een vertrouwd adres in de stad, blijft achter als stille getuige van een abrupt afgebroken bestaan.

Twee kinderen die overleven
De geschiedenis van de familie Coltof eindigt echter niet volledig in Auschwitz. Hun twee kinderen weten de oorlog te overleven — ieder op een totaal andere manier.
Zoon Louis Coltof (1912) weet al vroeg aan de dreiging te ontkomen. In 1941 vlucht hij met zijn vrouw Dora Coltof-Simons en hun zoontje Bram (1938) per schip via Portugal en Cuba naar de Verenigde Staten. Hij duikt niet onder, maar kiest voor een risicovolle vlucht over zee. In de Verenigde Staten vestigt hij zich in New York, waar hij — na opnieuw examen te hebben gedaan — als huisarts aan de slag gaat. Pas na zijn pensionering verhuizen Louis en Dora naar Tampa (Florida).
Dochter Helena (Leni) Coltof (1916) blijft in Nederland en duikt onder met haar man Abraham van de Rhoer in Oosterhout (Noord-Brabant). Hun zoontje Gerhard (1939) wordt elders, in Breda, ondergebracht. De onderduikadressen worden via persoonlijke contacten geregeld; van georganiseerde verzetsnetwerken is geen sprake.
Een bijzonder voorval onderstreept hoe klein de wereld soms is, zelfs in oorlogstijd. Leni Coltof verlaat tijdens haar onderduik in Oosterhout slechts één keer haar schuiladres, omdat zij dringend een tandarts moet bezoeken.
Juist op dat moment, op de Wilhelminabrug in het dorp, komt zij geheel onverwacht Gerhard Boezeman (de broer van Sjaak Boezeman) tegen, die daar voor zijn werk bij Rijkswaterstaat aanwezig is. Beiden schrikken hevig. Leni bevindt zich op dat moment zichtbaar op straat, in een omgeving waar ook Duitse militairen aanwezig zijn — een groot risico voor iemand in onderduik.
De ontmoeting is des te opmerkelijker omdat Leni al vóór de oorlog bevriend is met Toos Boezeman, de jongste zus van Gerhard. Nadat Gerhard haar kort heeft bijgepraat over de situatie in Maassluis, vervolgt Leni haar weg.
Tot op de dag van vandaag zijn de sporen van de familie Coltof in Maassluis nog voelbaar. In oude foto’s, in archieven en in herinneringen leeft hun werk voort. Wat resteert is niet alleen het verhaal van vervolging en verlies, maar ook dat van een gezin dat zichtbaar deel uitmaakte van het leven in de stad.