De oorlogsherinneringen van Jan Vermin (1925-2017)

De familie Vermin behoorde eeuwenlang tot de bekende smedenfamilies van Maassluis. Al generaties lang oefenden zij het ambacht van hoef- en wagenmaker uit. Grootvader Jan Vermin begon op 27 februari 1892 een smederij aan de Marelstraat 10. In 1924 nam zijn zoon Jan het bedrijf over. Tijdens het bombardement op Maassluis van 18 maart 1943 ging de smederij verloren. Na de oorlog bouwde Jan Vermin een nieuwe smederij aan de Wagenstraat 13, waar het familiebedrijf tot 1 april 1986 werd voortgezet. Daarmee kwam een einde aan bijna vier eeuwen smeden in de familie Vermin en verdween de laatste smid uit Maassluis.

Johannes Martinus Marie (Jan) Vermin werd op 23 maart 1925 in Maassluis geboren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij nog een jonge smidszoon. Jaren later zette hij zijn herinneringen aan de bezettingsjaren op papier. Zijn persoonlijke verslag geeft een indringend beeld van het leven van een Maassluizer die gedwongen werd voor de bezetter te werken, onderdook om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen en de oorlog van dichtbij meemaakte.

Smid Jan Vermin in zijn smederij in de Wagenstraat

Oproep
In 1943 werd ik op achttienjarige leeftijd opgeroepen om voor de Duitsers te werken. Het was de bedoeling dat wij loopgraven en schietputten zouden graven. Daarbij waren wij verplicht een Duits uniform te dragen. Iedereen kreeg een schop toegewezen en we moesten in gelid lopen, met de schop op de schouder.

Ik had echter geluk. Aan één oor hoorde ik slecht. Tijdens de keuring bleek dat mijn gehoor onvoldoende was en daarom werd ik afgekeurd. Daardoor hoefde ik deze werkzaamheden uiteindelijk niet te verrichten.

Lang duurde dat geluk echter niet.

Kustverdediging
In datzelfde jaar werden ook middenstanders opgeroepen om mee te werken aan de aanleg van de Duitse kustverdediging. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de Organisation Todt, de Duitse bouworganisatie die belast was met de aanleg van de Atlantikwall. Wie zelf niet kon gaan, mocht een vervanger sturen. Mijn vader stuurde mij.

Iedere ochtend moesten wij om zes uur verzamelen op de Markt in Maassluis. Vervolgens liepen wij, twee aan twee en onder begeleiding van Duitse militairen, naar De Beer op Rozenburg. Voor de groep liepen twee Duitse soldaten en ook achter de groep liepen bewakers mee.

Iedereen moest een tas meenemen met een bord, een schaal en bestek om tussen de middag eten te kunnen halen.

Op het strand van Rozenburg lagen grote stapels houten palen. Deze moesten in zee worden geplaatst als onderdeel van de kustverdediging. Twee boerenwagens, elk bespannen met twee paarden, waren daarvoor door de Duitsers gevorderd. Op de wagens stond een brandspuit. Met de waterdruk werd het zand onder de palen weggespoten, zodat wij de ongeveer vijf meter lange palen rechtop konden zetten. Daarna zakten zij steeds dieper het zand in.

De palen werden in een zigzagpatroon geplaatst, ongeveer anderhalve meter uit elkaar. Vervolgens werd prikkeldraad van paal naar paal gespannen, om de palen heen geslagen en stevig vastgezet.

De gaarkeuken
Tussen de middag kregen wij warm eten uit de gaarkeuken in Hoek van Holland, die ‘Voorwaarts’ werd genoemd. Meestal bestond de maaltijd uit aardappelen met sla. Soms kropen de wormen nog over het eten op ons bord. Smakelijk was het niet en vlees kregen wij nauwelijks te zien.

Later moesten wij ook werken op het strand van Hoek van Holland en in ‘s-Gravenzande.

Betonmijnen
In Hoek van Holland werd ik ingezet bij het maken van betonnen zeemijnen. Deze mijnen hadden een doorsnede van ongeveer anderhalve meter en waren ongeveer vijftig centimeter dik.

Als bewapening werden ronde ringen van betonijzer met een dikte van zestien millimeter gemaakt. De ringen hadden een doorsnede van ongeveer één meter veertig en werden met acht stalen verbindingsstaven aan elkaar gelast. Daarna werden zij in het beton verwerkt.

In iedere mijn moest een granaat worden geplaatst. Mijn taak was het maken van een stalen standaard waarop deze granaat rustte en die met de mijn was verbonden.

De bedoeling was dat, wanneer Engelse landingsvaartuigen het strand zouden bereiken en de laadklep tegen de standaard zou komen, de mijn tot ontploffing zou worden gebracht. Op die manier wilden de Duitsers voorkomen dat geallieerde militairen levend het strand konden bereiken.

Ik besefte heel goed waarvoor deze mijnen bedoeld waren. Daarom maakte ik de standaard niet helemaal zoals de Duitsers dat voor ogen hadden. Als zij daarachter waren gekomen, had dat mij waarschijnlijk het leven gekost.

Tekening van Jan met uitleg

Terug in de smederij
Na de werkzaamheden aan de kustverdediging keerde ik terug naar de smederij van mijn vader in Maassluis. Ondanks de oorlogsomstandigheden gingen de werkzaamheden daar zoveel mogelijk door.

In onze smederij werden regelmatig de paarden van de Duitsers beslagen. Dat gebeurde door een Duitse hoefsmid. Tijdens een gesprek vertelde hij mij dat rond het middaguur het werk grotendeels stil lag en alleen de bewakers bij enkele belangrijke gebouwen op hun post bleven.

Dat gesprek zette mij aan het denken. Het sterkte mij in mijn besluit om niet naar Duitsland te gaan.

Paardenvorderingen
In dezelfde periode waren de Duitsers volop bezig paarden te vorderen voor de oorlog. Veel van onze klanten verdienden hun brood met paard en wagen. Wanneer zij hun paard kwijt zouden raken, betekende dat vaak ook het verlies van hun inkomen.

Door de kennis die ik tijdens mijn opleiding had opgedaan, wist ik hoe ik een paard tijdelijk kreupel kon maken zonder het dier blijvend te beschadigen. Dat was een uiterst riskante bezigheid.

Jan Vermin beslaat in de Wagenstraat een paard

De paarden werden op het strand van Hoek van Holland gekeurd. Door de tijdelijke kreupelheid werden zij afgekeurd voor vordering. Zodra de paarden weer thuis waren, nam ik de oorzaak van de kreupelheid weg, zodat zij weer normaal konden lopen.

Daardoor konden de eigenaren hun paard behouden en hun werkzaamheden voortzetten. Verschillende mensen zijn mij daar later nog dankbaar voor geweest.
Het was echter bijzonder gevaarlijk werk. Als de Duitsers hadden ontdekt wat ik deed, had ik dat waarschijnlijk niet overleefd.

In die tijd waren paarden onmisbaar. Ze werden gebruikt op het land, voor het vervoer van goederen en mensen en voor trouw- en rouwkoetsen. Ook aan het front speelden zij nog altijd een belangrijke rol.

Onderduiken
Na verloop van tijd kreeg ik te horen dat ik voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland zou worden gestuurd. De groep moest zich daarvoor melden op het station in Maassluis, vanwaar het transport zou vertrekken.

Dat vooruitzicht joeg mij grote angst aan. Ik wilde koste wat kost voorkomen dat ik in Duitsland terecht zou komen. Het gesprek met de Duitse hoefsmid speelde daarbij steeds opnieuw door mijn hoofd.

Ik besloot het risico te nemen en onder te duiken.

Vlucht naar Stompwijk
Midden in de nacht vertrok ik op de fiets, voorzien van massieve banden. Alles was verduisterd en het was aardedonker. Via Maasland, Schipluiden, Delft, Nootdorp en Leidschendam reed ik naar een oom en tante die een boerderij hadden aan de Meer- en Geerweg in Stompwijk.

Die beslissing was niet zonder gevaar. Als de Duitsers hadden ontdekt dat ik was ondergedoken, hadden zij niet alleen mij kunnen oppakken, maar ook mijn ouders en de rest van het gezin daarvoor kunnen straffen.

Toch zag ik geen andere mogelijkheid. Liever dook ik onder op een boerderij dan dat ik naar Duitsland werd afgevoerd.

Aankomst in Stompwijk
Mijn oom en tante hadden een boerderij aan de Meer- en Geerweg in Stompwijk. Naast het boerenbedrijf werd daar ook kaas gemaakt.

Er stonden twee boerderijen naast elkaar. In één gebouw bevonden zich de kaasmakerij en een stal die ’s zomers voor de varkens werd gebruikt. In het najaar kwamen daar weer koeien te staan. Een andere stal diende als opslagplaats voor de kazen, die op houten rekken lagen te rijpen.

De kazen moesten regelmatig worden gekeerd. Daarom waren de ramen donkerblauw geschilderd, zodat er geen daglicht naar binnen kon vallen. Mijn tante maakte de kaas zelf.

Vanaf mijn aankomst draaide ik volledig mee op het boerenbedrijf.

Het boerenwerk
Mijn werkzaamheden bestonden uit het schoonhouden van de stallen van de paarden, koeien, varkens, kippen en ook die van de stieren. Daarnaast was er volop werk op het land, zoals ploegen, aardappelen poten, mest uitrijden en allerlei andere werkzaamheden.

Ook de moestuin hoorde erbij. Volgens mijn oom had die er nog nooit zo goed bij gestaan als in de periode dat ik er werkte. Juist daarom wilde hij mij voorlopig niet laten vertrekken.

Tussen de middag at ik mijn boterhammen op het land en dronk ik water uit de sloot.

Wanneer ik ’s avonds terugkwam op de boerderij, wachtte eerst het warme eten. Daarna moest ik nog twaalf melkkannen en drie zeven schoonmaken.

Het water daarvoor werd verwarmd in een grote koperen ketel boven een houtvuur. Dat warme water mocht ik echter niet gebruiken om mezelf te wassen. Als ik dat toch deed, werd mijn oom kwaad.

Slapen boven de koeienstal
Ik sliep op de zolder boven de koeienstal, direct onder het schuine rieten dak. Mijn bed bestond uit een oude divan waarvan vijf veren door de bekleding staken. Als deken had ik twee aan elkaar genaaide zakken. Om niet op de uitstekende veren te liggen, moest ik schuin op het bed gaan liggen.

Op dezelfde zolder sliep ook een knecht, maar die had een veel beter bed.

De vloer was rood geverfd, er was slechts een klein dakraam en overal lag oude rommel. Bovendien had ik voortdurend last van ongedierte.

Ondanks de zware omstandigheden besefte ik dat ik daar waarschijnlijk veiliger was dan wanneer ik in Duitsland had moeten werken.

Een andere onderduiker
Op de boerderij verbleef nog een onderduiker. Dat was een Rijksduitser die directeur was van een fabriek in Nederland. Hij was getrouwd met een Nederlandse vrouw, die in Rijswijk woonde.

Hij kreeg een kamer boven het woongedeelte van de boerderij. Wij zagen hem vrijwel nooit. Hij sliep onder nieuwe A.B.-dekens, kreeg nieuwe lakens en at apart van de rest van het gezin.

Voor zijn verblijf betaalde hij ƒ 150,- per week. Hij gaf zich uit onder de naam meneer Ouds. Op een dag noemde iemand van de ondergrondse hem echter per ongeluk meneer De Jong. Daaruit begreep ik dat hij een valse naam gebruikte.

Regelmatig kreeg hij bezoek van mensen uit het verzet.

Een noodlanding
Op een dag maakte een vliegtuig een noodlanding in de omgeving.

Ik stond achter op het erf en zag twee militairen in uniform door de polder lopen. Zij gingen van sloot naar sloot en probeerden ongezien richting de Rijksweg tussen Zoetermeer en Stompwijk te komen.

Op datzelfde moment trok juist een Duitse colonne over de weg.

Ik stond achter een betonnen silo en gaf de twee mannen tekens dat zij de andere kant van de polder op moesten gaan. Daar lag een klein bosje waar zij veilig konden schuilen. Het bleken Engelse militairen te zijn.

Twee Engelse militairen
Ik haalde direct boerenkleding en bracht die naar de twee militairen. Daarna verbrandde ik hun kleding.

Voordat zij zich omkleedden, gaven zij mij hun identificatieplaatjes. Die heb ik begraven.

Nadat zij de boerenkleding hadden aangetrokken, begeleidde ik hen naar de boerderij. Om hen nog minder te laten opvallen, besmeurde ik hun kleding met koeienmest, zodat zij eruitzagen als echte boerenknechten.

Vervolgens zorgde ik voor een herenfiets en twee damesfietsen. Daarmee konden zij, samen met de Rijksduitse onderduiker, naar Rijswijk fietsen om daar een veilige schuilplaats te bereiken.

Huiszoeking
Kort nadat de Engelse militairen waren vertrokken, verlieten mijn oom en tante uit voorzorg de boerderij. Uit angst voor een razzia zochten zij tijdelijk onderdak op een verderop gelegen boerderij. Ik bleef alleen achter.

Niet lang daarna verschenen inderdaad Duitse militairen om de boerderij te doorzoeken.

Dat waren angstige momenten. Ook de wegen in de omgeving waren afgesloten, waardoor vluchten vrijwel onmogelijk was.

Russische soldaten
In die tijd bevonden zich ook Russische soldaten in de omgeving. Het waren overlopers van het Russische front die in Duitse dienst waren gekomen. Zij werden ingezet om onderduikers op te sporen.

Zodra wij schoten hoorden, moesten wij zo snel mogelijk zien weg te komen. Soms hadden wij nauwelijks tijd om ons aan te kleden en vluchtten wij, gekleed in alleen een onderbroek, kruipend door de greppels naar een boerderij bij Zoetermeer.Daar verborgen wij ons tussen de koeien in de stal.

Pas midden in de nacht durfden wij terug te keren naar de boerderij. Dan trokken wij onze kleren weer aan en probeerden wij het gewone werk weer op te pakken, al bleef de angst voortdurend aanwezig.

De gierkar
Razzia’s kwamen regelmatig voor. Tijdens één van die razzia’s waren wij te laat om via het land te vluchten. Er bleef nog maar één mogelijkheid over.

Op het erf stond een gierkar die kort daarvoor nog was gebruikt om mest over het land uit te rijden. Samen met een andere onderduiker kroop ik in de tank.

De boer sloot de deksels en legde er zware ladders bovenop. Er was nauwelijks frisse lucht en wij konden ons nauwelijks bewegen. Zelfs wanneer wij onze behoefte moesten doen, kon dat alleen in de tank zelf. Bijna twee uur lang zaten wij opgesloten.

Ondertussen liepen de Russische soldaten om de gierkar heen. Zij sloegen met hun geweren tegen de tank, maar wij durfden geen enkel geluid te maken. We waren doodsbang dat we ontdekt zouden worden.

Toen het eindelijk weer veilig leek, wilden wij uit de tank klimmen. Dat ging niet gemakkelijk, omdat de zware ladders nog op de deksels lagen en de boer inmiddels verdwenen was.

Na veel trekken en duwen slaagden wij er uiteindelijk in onszelf te bevrijden. Daarna spoten wij ons met de brandslang schoon. Het koude water kwam rechtstreeks uit de vaart. Na uren van angst voelde dat als een enorme opluchting.

De keerzijde
Tijdens mijn verblijf op de boerderij zag ik ook een andere kant van de oorlog.

Mijn oom was erg op geld gesteld en maakte naar mijn mening misbruik van de schaarste. In het portaal van de kerk had hij een biljet opgehangen waarop stond dat aardappelen ƒ 1.000,- per mud kostten en zelfgemaakte roomboter ƒ 60,- per pond. Veel mensen spraken daar schande van.

Hij was lid van het polderbestuur, de Boerenleenbank en het armbestuur van de rooms-katholieke kerk in Stompwijk.

Iedere week kwamen arme mensen aan de deur voor ondersteuning. Zij kregen dan ƒ 3,- mee. Dat geld moest ik uitdelen, omdat mijn oom niet wilde horen dat de mensen vonden dat dit veel te weinig was.

Een brief van huis
Na enige tijd ontving ik een brief van mijn vader. Hij schreef dat er eindelijk weer materiaal voor de smederij was binnengekomen. Dat was in die tijd bijzonder, omdat veel grondstoffen nauwelijks verkrijgbaar waren. Hij vroeg of ik weer naar Maassluis wilde komen om in de smederij te helpen.

Mijn oom wilde mij echter niet laten gaan. Daarom werd afgesproken dat mijn broer Adriaan voorlopig mijn plaats op de boerderij zou innemen.

Adriaan kwam op de fiets naar Stompwijk, zodat ik met diezelfde fiets naar huis zou kunnen terugkeren.

Van die regeling kwam echter weinig terecht. Al na enkele dagen bleek dat het zware boerenwerk niets voor hem was. Vooral de stieren maakten veel indruk op hem. Ook hun stallen moesten iedere dag worden uitgemest en van vers stro worden voorzien.

Adriaan besloot daarom lopend terug te gaan naar Maassluis. Onderweg hield hij nog een rustpauze bij een tante in Delft.

Ik bleef daardoor voorlopig op de boerderij en werkte verder zoals voorheen.

Terug naar Maassluis
Na ruim een half jaar op de boerderij keerde ik uiteindelijk terug naar Maassluis.

Bij mijn vertrek kreeg ik van mijn oom een envelop met daarin ƒ 100,- als vergoeding voor ruim een half jaar hard werken. Zelf vond ik dat erg weinig, maar ik durfde daar niets van te zeggen. Toen ik thuiskwam, waren mijn ouders het daar allerminst mee eens.

Tijdens mijn verblijf op de boerderij had ik nauwelijks gelegenheid gehad mij behoorlijk te wassen. Ik zat onder de luizen, mijn handen waren beschadigd, ik had schurft en door de huidluizen zaten er wonden in mijn hals. Mijn trui zat vol neten.

Mijn oom had dat allemaal gezien en bracht mij uiteindelijk naar een dokter. Die gaf hem een stevige uitbrander. Volgens de arts had ik nooit voldoende warm water of zeep gekregen om mij goed te kunnen wassen. Daardoor verkeerde ik in een slechte lichamelijke conditie.

Na mijn terugkeer ging ik weer aan het werk in de smederij van mijn vader. Daarmee kwam voor mij een einde aan de periode waarin ik was ondergedoken om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen.

Terugblik
De oorlogsjaren hebben een diepe indruk op mij gemaakt. Ik maakte de aanleg van de Duitse kustverdediging mee, hielp paarden uit handen van de bezetter te houden, dook onder in Stompwijk en beleefde daar razzia’s, huiszoekingen en de voortdurende dreiging om ontdekt te worden.

Ook zag ik hoe dicht gevaar en veiligheid soms naast elkaar lagen. De oorlog vroeg voortdurend om moeilijke keuzes, waarvan de gevolgen groot konden zijn.

Veel van wat ik in die jaren heb meegemaakt, is mij mijn hele leven bijgebleven.

Bronverantwoording

Dit artikel is gebaseerd op de persoonlijke herinneringen van Johannes Martinus Marie (Jan) Vermin (1925-2017), die hij jaren na de Tweede Wereldoorlog zelf op schrift heeft gesteld.

Voor publicatie zijn de herinneringen grammaticaal geredigeerd en waar nodig chronologisch geordend om de leesbaarheid te vergroten. Daarbij is de inhoud van het oorspronkelijke verslag zoveel mogelijk behouden gebleven. Er zijn geen gebeurtenissen toegevoegd; uitsluitend de volgorde van enkele passages is verduidelijkt en de taal is aangepast aan hedendaags Nederlands.

Gepubliceerd op:

woensdag 4 juli 2018