Maassluis lag niet aan het front en kende geen uitgebreide bunkerlinie zoals langs de kust, maar speelde wel degelijk een rol binnen de Duitse oorlogslogistiek. Juist die relatief onbekende rol maakt dit hoofdstuk uit de lokale oorlogsgeschiedenis interessant.
De Organisation Todt: van snelwegen naar oorlogswerken
De Organisation Todt (OT) werd opgericht in 1933 en vernoemd naar haar oprichter Dr. Fritz Todt (1891–1942), een invloedrijke ingenieur, vertrouweling van Hitler en later Reichsminister für Bewaffnung und Munition. In de beginjaren hield de organisatie zich voornamelijk bezig met civiele infrastructurele projecten, waarvan de aanleg van de Duitse snelwegen — de Autobahnen — het bekendste voorbeeld was. Deze projecten boden werk aan honderdduizenden Duitsers en gaven het nationaalsocialistische regime een modern en daadkrachtig imago.

In 1938 kreeg Todt van Hitler opdracht tot de aanleg van de Westwall, beter bekend als de Siegfriedlinie: een enorme verdedigingslinie langs de westgrens van Duitsland. Onder leiding van de Organisation Todt groeide dit project uit tot een van de grootste militaire bouwprogramma’s van nazi-Duitsland. Tijdens de oorlog maakte de OT daarbij op grote schaal gebruik van dwangarbeiders uit bezette gebieden.
Fritz Todt kwam op zondag 8 februari 1942 om het leven bij een vliegtuigongeluk nabij Hitlers hoofdkwartier de Wolfsschanze in Oost-Pruisen. Over de oorzaak deden later verschillende geruchten de ronde, waaronder sabotage of een aanslag, maar daarvoor is nooit overtuigend bewijs gevonden. Na zijn dood werd hij opgevolgd door Albert Speer.
Met de toenemende militarisering van nazi-Duitsland veranderde ook het karakter van de Organisation Todt. Vanaf het midden van de jaren dertig verschoof de focus steeds meer naar militaire bouwprojecten. Verdedigingslinies, bunkers, kazernes en militaire infrastructuur werden voortaan in hoog tempo en op enorme schaal gerealiseerd.
De OT kreeg daarbij een halfmilitaire status. Medewerkers vielen onder het zogenoemde Wehrmachtsgefolge — een civiele organisatie die formeel aan de Wehrmacht was verbonden — droegen uniformen en werkten nauw samen met de Duitse strijdkrachten. De Organisation Todt fungeerde niet als aannemer in klassieke zin, maar als een overkoepelend bouwapparaat dat planning, materiaalstromen en arbeidskrachten organiseerde. De feitelijke uitvoering lag veelal in handen van civiele bouwbedrijven.
Tijdens de oorlog groeide de Organisation Todt uit tot een enorme bouwmachine die overal opdook waar het Duitse leger voet aan de grond zette.
De Organisation Todt in Nederland
Ook Nederland kreeg na de bezetting te maken met de Organisation Todt. In april 1942 werd in Den Haag een OT-kantoor geopend, dat aanvankelijk onder Belgisch toezicht viel. Later dat jaar volgde een reorganisatie en kreeg Nederland een eigen leiding: de OT Oberbauleitung Holland, gevestigd aan de Rotterdamseweg 99 in Delft. Een Oberbauleitung was een regionale directie die verantwoordelijk was voor grote bouwprojecten.
De belangrijkste opdracht was de aanleg van de Atlantikwall: een kilometerslange verdedigingslinie langs de West-Europese kust. De Organisation Todt voerde hierbij de regie, maar werkte intensief samen met lokale en Duitse aannemers. Arbeid werd geleverd door een combinatie van vrijwillige arbeidskrachten en mannen die via de Arbeitseinsatz — de verplichte tewerkstelling voor de Duitse oorlogseconomie — gedwongen werden te werken.
Om te begrijpen waarom juist in Maassluis relatief veel Duitse militairen en bouworganisaties aanwezig waren, is het noodzakelijk breder te kijken naar de strategische betekenis van de Nieuwe Waterweg, het Scheur en de Nieuwe Maas en Hoek van Holland.
Waarom waren er zoveel Duitsers in Maassluis?
Na de Nederlandse capitulatie op woensdag 15 mei 1940 classificeerde de Duitse Kriegsmarine het volledige gebied langs de Nieuwe Waterweg, het Scheur en de Nieuwe Maas als Hauptstützpunkt: een belangrijk militair steunpunt. Van Hoek van Holland tot Rotterdam kwamen beide oevers onder strikt militair toezicht te staan. Alle havens in deze zone werden in gebruik genomen door onderdelen van de Kriegsmarine.

Ook de Maassluise haven kreeg een militaire functie. In de buitenhaven werd een kleine vlootbasis ingericht voor onder meer het 32. en 34. Minensuchflottille en het 13. Vorpostenflottille. Deze eenheden bestonden grotendeels uit gevorderde Nederlandse vissersschepen, zoals kotters en loggers, waarvan een aantal was uitgerust met bewapening en luchtafweergeschut. De mijnenvegers hielden de vaarroute langs de Nederlandse Noordzeekust vrij van zeemijnen, terwijl het 13. Vorpostenflottille Duitse kustkonvooien escorteerde. Vanaf februari 1941 kreeg de zogenoemde D-Gruppe van het 32. en 34. Minensuchflottille Maassluis als thuishaven. Daardoor werd de Duitse aanwezigheid in de haven en het straatbeeld al vroeg een vertrouwd onderdeel van het dagelijks leven in Maassluis.
Voor inwoners van Maassluis werd dat steeds zichtbaarder. Militairen verschenen in het straatbeeld. De Govert van Wijnkade en de buitenhaven werden afgesloten en regelmatig reden Duitse vrachtwagens met bouwmaterialen door de stad richting Hoek van Holland en de verdedigingswerken langs de kust.
In de eerste oorlogsjaren rekende het Duitse oppercommando serieus op een invasie van Groot-Brittannië. Toen deze plannen strandden en de oorlog zich verbreedde, gaf het Oberkommando der Wehrmacht (OKW) op zondag 14 december 1941 bevel tot de grootschalige verdediging van de West-Europese kust. Daarmee werd de basis gelegd voor wat later bekend zou worden als de Atlantikwall.
In 1941 werd de 719. Infanterie-Division naar Nederland verplaatst, met het divisiehoofdkwartier in Dordrecht. Deze divisie kreeg de verantwoordelijkheid voor een groot deel van de kustverdediging. De Nederlandse kust werd opgedeeld in drie sectoren, de zogenoemde Küstenverteidigungsabschnitte (KVA’s): kustverdedigingssectoren. Maassluis viel binnen het KVA Dordrecht, de zuidelijkste sector, die zich uitstrekte van Kijkduin tot aan de Oosterschelde.
Door deze indeling werd Maassluis onderdeel van een zwaar beveiligd militair gebied, bedoeld om een geallieerde aanval richting Rotterdam te voorkomen. De havenstad gold daarbij als strategisch hoofddoel: wie Rotterdam beheerste, had toegang tot het industriële hart van West-Europa.
Maassluis in de schaduw van de Festung Hoek van Holland
Op maandag 2 maart 1942 werd Hoek van Holland door de Duitsers uitgeroepen tot Stützpunkt: een versterkt steunpunt. In de loop van datzelfde jaar volgde een verdere opwaardering tot Verteidigungsbereich Hoek van Holland, een volledig verdedigingsgebied. Daarmee kreeg het gebied niet alleen kustverdediging, maar ook een uitgebreide landverdediging: het zogenoemde Landfront.
De Duitse militaire organisatie kende daarbij een bijna eindeloze hoeveelheid classificaties, verdedigingszones en hiërarchieën. Het gehele gebied werd opgedeeld in kleinere verdedigingspunten, zoals Stützpunkte en Widerstandsnester. Die laatste term betekende letterlijk ‘weerstandsnest’: een klein, zwaar verdedigd steunpunt met bunkers, geschutsopstellingen en versperringen. Door deze herclassificatie kreeg ook Maassluis direct te maken met de militaire verdediging van Hoek van Holland.
De status werd definitief aangescherpt toen Hoek van Holland op vrijdag 21 januari 1944, samen met elf andere Europese havensteden, door het Oberkommando der Wehrmacht werd uitgeroepen tot Festung: een vesting die tot de laatste man verdedigd moest worden. Binnen deze Festung moesten op grote schaal bunkers en andere verdedigingswerken worden gerealiseerd. Daarmee werd ook het omliggende gebied, waaronder Maassluis, nadrukkelijk onderdeel van de Duitse verdedigingsstrategie.
Met de Festung-status werd Maassluis begin 1944 officieel onderdeel van het Festungsvorfeld: het voorveld van de vesting. De Maassluise vlieten werden aangemerkt als Wasserpanzergraben — letterlijk: water-tankgracht. Op de overgangen van water naar land verschenen betonnen versperringen, zoals Walzkörpersperren (rolvormige tankhindernissen) en Höckerhindernisse, beter bekend als ‘drakentanden’. Deze werden verdedigd door kleinere verdedigingsstellingen: de Widerstandsnester.
Key’s Asfaltfabriek als Duits bouwdepot
Om de bouw van verdedigingswerken binnen de Festung Hoek van Holland mogelijk te maken, werd in 1943 het terrein van Key’s Asfaltfabriek en de voormalige Glasfabriek De Maas in de Taanschuurpolder door de Duitse bezetter gevorderd. Het terrein kwam in gebruik als bouw- en opslaglocatie ten behoeve van Duitse verdedigingswerken in de regio.

De ligging was strategisch gunstig: het terrein bevond zich tussen het Scheur en de spoorlijn en was zowel per schip als per trein goed bereikbaar. Hierdoor kon het dienen als opslag- en doorvoerlocatie voor betononderdelen en bouwmaterialen die elders werden gebruikt bij de aanleg van bunkers en andere versterkingen.
Ooggetuigen zagen in deze periode regelmatig schepen en wagons met bouwmateriaal arriveren. Grote hoeveelheden betonijzer, bekisting en prefab onderdelen werden tijdelijk opgeslagen op het terrein voordat zij verder werden vervoerd naar bouwlocaties langs de kust.

Maassluis zelf kreeg geen aaneengesloten bunkerlinie, maar vervulde via dit terrein wel een logistieke functie binnen de Duitse kustverdediging. Op het terrein werd bovendien een half ingegraven oliebunker aangelegd met een afmeting van circa 4,60 bij 10 meter, wat het belang van de locatie voor de bouwactiviteiten onderstreepte.
Wayss & Freytag: uitvoerder binnen het OT-systeem
De werkzaamheden op het Maassluise terrein werden uitgevoerd door de Duitse bouwonderneming Wayss & Freytag A.G., met het hoofdkantoor in Frankfurt am Main en vestigingen in onder meer Berlijn. In bezet Nederland voerde het bedrijf diverse opdrachten uit voor de Organisation Todt, zoals bunkerbouw en andere werkzaamheden voor de kustverdediging.
Door de omvang en spreiding van deze projecten werd op vrijdag 10 april 1942 een aparte organisatie opgericht: de Aussenstelle Rotterdam aan de Heemraadssingel 226, een regionale buitenpost van de Berlijnse vestiging. Formeel bleef deze dependance onder de Berlijnse vestiging vallen, maar in de praktijk functioneerde zij grotendeels zelfstandig en coördineerde zij de regionale bouwopdrachten in Zuid-Holland.
Het terrein in Maassluis maakte deel uit van dit netwerk en diende vooral als bouw- en opslaglocatie voor materialen die nodig waren bij de aanleg van de Atlantikwall en andere verdedigingswerken.
Tegelijkertijd was op het Maassluise terrein ook de militaire eenheid Festung Pionier Abschnittsgruppe I/24 van de Festung Pionier Stab 14 actief, onder leiding van commandant Major Lamey. Deze genie-eenheid was verantwoordelijk voor de noordgrens van het KVA tot en met Voorne en gebruikte Maassluis als thuisbasis. Zo functioneerde het terrein zowel als logistiek knooppunt van de Organisation Todt als militair controlepunt binnen de Festung Hoek van Holland.
Bouwen in beton: standaardisatie en massaproductie
De bunkers van de Atlantikwall werden gebouwd volgens vaste, gestandaardiseerde principes. De Duitsers spraken van Ständiger Ausbau in Stahlbeton: permanente versterkingen van gewapend beton. Afhankelijk van het type bunker varieerde de dikte van muren en daken tussen de twee en drieënhalve meter.
Bunkers met de zwaarste uitvoering kregen de aanduiding Baustärke A en moesten bestand zijn tegen zware vliegtuigbommen. Lichtere uitvoeringen vielen onder Baustärke B. Bij schuilplaatsen werd vaak de afkorting ‘St.’ gebruikt om aan te geven dat het om een bomvrije ruimte ging.
De bouw begon met het graven van een diepe bouwput, gevolgd door het aanbrengen van bewapening, bekisting en voorzieningen zoals kabelgoten en leidingen. Daarna werd het beton in één keer gestort, soms dag en nacht achter elkaar om scheurvorming te voorkomen. Door deze standaardisatie wist men exact hoeveel materiaal en mankracht nodig was. Een manschappenbunker kon daardoor in enkele maanden worden gerealiseerd.
De ontwerpen kwamen van de militaire genie; de uitvoering stond onder leiding van de Organisation Todt en werd uitgevoerd door civiele aannemers, vaak met inzet van dwangarbeiders.

Arbeid achter de Atlantikwall
Achter het beton van de Atlantikwall schuilde een enorme menselijke inspanning. In Nederland werkten duizenden mannen aan bouwprojecten onder regie van de Organisation Todt. Sommigen meldden zich vrijwillig, anderen werden via de Arbeitseinsatz gedwongen tewerkgesteld.
In kustplaatsen als Hoek van Holland arriveerden dagelijks treinen met arbeiders die werden ingezet bij de bouw van bunkers, loopgraven en versperringen. Het werk was zwaar, vaak gevaarlijk en stond volledig onder Duits toezicht. Lange werkdagen, slechte huisvesting en voortdurende controle maakten de omstandigheden voor veel arbeiders bijzonder moeilijk.
Hoewel Maassluis niet het centrum van deze werkzaamheden vormde, maakte het terrein van de voormalige glasfabriek wel degelijk deel uit van dit systeem.
Een late oorlogsdreiging: de V1 bij Key’s Asfaltfabriek
In de laatste fase van de Tweede Wereldoorlog kreeg de Duitse aanwezigheid in en rond Maassluis nog een extra, minder bekend aspect. Op het door de Duitsers gevorderde terrein van Key’s Asfaltfabriek werd begonnen met de aanleg van een lanceerinstallatie voor V1-raketten, bedoeld om doelen in Engeland te bestoken. Deze zogenoemde Vergeltungswaffen — vergeldingswapens — maakten vanaf 1944 deel uit van de Duitse poging om de geallieerden onder druk te zetten, ondanks de steeds slechter wordende militaire situatie.

Uit een in 1950 door het Bureau Registratie Verdedigingswerken (BRV) opgestelde tekening blijkt dat hiervoor al een betonnen fundering was aangelegd. Op dergelijke funderingen werd normaal gesproken een metalen lanceerrail geplaatst waarlangs de V1 werd gelanceerd.
De geplande lanceerinstallatie werd echter nooit voltooid. Het naderende einde van de oorlog speelde daarbij een rol, maar ook praktische problemen waren doorslaggevend. Het aanvoeren van V1-raketten per spoor naar Maassluis bleek steeds lastiger. Door geallieerde bombardementen en sabotage van het spoorwegnet was het vervoer onvoldoende betrouwbaar geworden om deze wapens veilig en tijdig in te zetten.
Dat zelfs in deze late fase van de oorlog voorbereidingen werden getroffen voor een V1-lanceerplaats onderstreept dat Maassluis tot het einde toe onderdeel bleef van Duitse militaire bouw- en verdedigingsplannen, ook toen de afloop van de oorlog feitelijk al vaststond.
Na de oorlog: verdwenen gebouwen, blijvende sporen
Na de bevrijding verdween de Organisation Todt vrijwel even snel als zij was gekomen. Gebouwen werden gesloopt, terreinen kregen nieuwe bestemmingen en veel oorlogsinfrastructuur verdween letterlijk onder het maaiveld. Ook in Maassluis bleef van het Duitse bouwdepot weinig zichtbaar over.
Toch verdwenen de sporen niet volledig. Direct na de oorlog kreeg het Bureau Registratie Verdedigingswerken (BRV), een onderdeel van de Nederlandse Genie, opdracht om achtergelaten Duitse verdedigingswerken in kaart te brengen. Bunkers, versperringen, tankgrachten en andere onderdelen van de Atlantikwall werden nauwkeurig opgemeten, getekend en geregistreerd. Dankzij deze documentatie is vandaag nog gedeeltelijk te reconstrueren welke Duitse betonwerken zich in en rond Maassluis bevonden.
Onder de huidige woonwijk De Kade gaat daarmee een geschiedenis schuil die herinnert aan bezetting, dwangarbeid en oorlogsindustrie. Geen grote zichtbare bunkercomplexen of intacte verdedigingslinies, maar wel een verhaal dat laat zien hoe een ogenschijnlijk onopvallende plek onderdeel werd van een veel groter militair geheel.