De Luchtbeschermings-
dienst en de blokploegen in Maassluis

In de tweede helft van de jaren dertig werd in Nederland steeds nadrukkelijker rekening gehouden met de gevolgen van moderne luchtoorlogvoering. De ontwikkeling van militaire luchtvaart maakte duidelijk dat toekomstige conflicten niet alleen aan het front zouden worden uitgevochten, maar ook direct gevolgen konden hebben voor steden en de burgerbevolking.

Met de invoering van de Luchtbeschermingswet in 1936 werden gemeenten verplicht om maatregelen te treffen ter bescherming van de burgerbevolking. In de praktijk betekende dit het opzetten van lokale luchtbeschermingsdiensten, het organiseren van waarschuwingssystemen en het voorbereiden van hulpverlening bij mogelijke bombardementen.

Met de mobilisatie van 1939 werd deze organisatie verder uitgebreid en kreeg ook Maassluis te maken met een meer gestructureerde opbouw van de luchtbescherming.

De eerste voorbereidingen
De voorbereidingen voor de luchtbescherming begonnen in Maassluis al ruim vóór het uitbreken van de oorlog. Op zaterdag 19 januari 1935 kreeg politiecommissaris H.W. Alberti van het gemeentebestuur opdracht te onderzoeken welke maatregelen noodzakelijk waren om in Maassluis een Luchtbeschermingsdienst op te richten. Daarmee liep de gemeente vooruit op de landelijke ontwikkelingen die uiteindelijk zouden leiden tot de invoering van de Luchtbeschermingswet in 1936.

De Maassluise Luchtbeschermingsdienst (LBD) werd uiteindelijk officieel ingesteld op vrijdag 7 mei 1937. Politiecommissaris Alberti werd benoemd tot Hoofd Luchtbeschermingsdienst (HLBD) en kreeg de verantwoordelijkheid voor de verdere opbouw van de organisatie.

Het eerste officiële Luchtbeschermingsplan der gemeente Maassluis werd opgesteld door politiecommissaris C. Maris, die Alberti als hoofd van de politie was opgevolgd. Burgemeester Schwartz keurde dit plan op woensdag 20 maart 1940, slechts enkele weken vóór de Duitse inval, officieel goed.

De Luchtbeschermingsdienst in Maassluis
De Luchtbeschermingsdienst (LBD) was belast met de bescherming van de burgerbevolking bij luchtgevaar en luchtaanvallen. Binnen de organisatie vervulde de burgemeester de functie van Plaatselijk Leider van de Luchtbeschermingsdienst, terwijl de politiecommissaris optrad als Hoofd Luchtbeschermingsdienst (HLBD). De burgemeester droeg de bestuurlijke verantwoordelijkheid, terwijl de dagelijkse leiding en operationele coördinatie in handen lagen van de politiecommissaris.

De taken van de LBD omvatten onder meer:

  • het waarnemen van vliegtuigen en signaleren van luchtgevaar;
  • het afgeven van luchtalarm;
  • toezicht op verduisteringsmaatregelen;
  • brandbestrijding bij incidenten;
  • eerste hulpverlening aan gewonden;
  • reddingswerk bij ingestorte gebouwen;
  • registratie van schade en coördinatie van hulpverlening.

 
Naast deze operationele taken speelde de LBD ook een belangrijke rol bij de voorbereiding en voorlichting van de bevolking. Instructies werden verspreid onder de bevolking en er werden regelmatig oefeningen gehouden waarin luchtalarm, verduistering en noodprocedures werden getest.

Ook het toezicht op de verduisteringsmaatregelen maakte een belangrijk deel uit van het werk van de LBD en de blokploegen. Tijdens de oorlogsjaren moesten woningen en bedrijven hun ramen zorgvuldig afschermen, zodat geallieerde vliegtuigen zich niet op lichtbronnen konden oriënteren. Leden van de blokploegen controleerden regelmatig of aan de voorschriften werd voldaan. Dat leverde soms spanningen op, omdat sommige inwoners het werk van de blokploegen zagen als medewerking aan de bezetter, terwijl de blokhoofden het juist beschouwden als een manier om inwoners voor boetes of zwaardere straffen te behoeden.

Luchtwaarneming: molen De Hoop en Smit & Co.
Voor de waarneming van luchtverkeer maakte de LBD gebruik van vaste uitkijkposten. Vanaf 1941 werd de molen De Hoop in Maassluis ingericht als luchtwaarnemingspost. In de molen werd een wachtlokaal aangebracht, zodat de post continu bemand kon worden.

De Govert van Wijnkade met de uitkijkpost in het torentje van Smit & Co.

De luchtwacht vormde een integraal onderdeel van de Luchtbeschermingsdienst. De waarnemers hielden het luchtruim voortdurend in de gaten en gaven meldingen door aan de commandostructuur van de LBD. Begin juli 1943 werden de uitkijkposten op de molen De Hoop en in het torentje van Smit & Co. op last van de Hoofdinspecteur voor de Bescherming van de Bevolking opgeheven. Deze maatregel was genomen op bevel van de Duitse Wehrmacht, die de organisatie van de luchtwaarneming centraliseerde. Hiermee kwam een einde aan de lokale luchtwaarneming in Maassluis.

Luchtalarm
In de eerste oorlogsjaren werden de inwoners van Maassluis bij dreigend luchtgevaar gewaarschuwd door het luiden van de kerkklokken. Vanaf 1941 werd dit systeem vervangen door een netwerk van elektrische sirenes. De sirenes maakten het mogelijk de bevolking veel sneller en eenduidiger te waarschuwen dan met het luiden van de kerkklokken mogelijk was.

In Maassluis werden vier sirenes geplaatst:

  • op het pand van Spijker aan de Wip;
  • op het dak van het A.E. Maasstraat 8a Rd;
  • op de Koningin Wilhelminaschool aan de President Steynstraat;
  • op het dak van het Rusthuis aan de Rusthuisstraat.

 
Deze sirenes vormden voortaan het officiële luchtalarmsysteem van de gemeente.

Indeling in blokken en blokploegen
In oktober 1941 werd Maassluis voor de LBD verdeeld in zeven blokken, die elk een eigen blokploeg en blokhoofd kregen. Door de stad op te delen in kleinere werkgebieden kon bij een calamiteit sneller worden gereageerd en beschikte iedere wijk over een eigen, goed georganiseerde hulpploeg.

Aan het hoofd van iedere blokploeg stond een blokhoofd, doorgaans afkomstig uit een technisch of leidinggevend beroep. Deze keuze was bewust, omdat van blokhoofden organisatorisch inzicht en besluitvaardigheid werd verwacht.

De blokhoofden in Maassluis waren:

  • Blokploeg I – S. Van Heijst – Joubertstraat 25;
  • Blokploeg II – Ir. G. Langelaar Gzn. – Paulus Potterstraat 19;
  • Blokploeg III – S.K.H. van der Endt – Zuidvliet 4;
  • Blokploeg IV – H. Kamsteeg – Noordvliet 8;
  • Blokploeg V – M. Knop – Wagenstraat 27;
  • Blokploeg VI – J. Speijer – Keucheniusstraat 20;
  • Blokploeg VI-A – H. De Haas – Olivierstraat 2.

 
Elke blokploeg bestond uit ongeveer twaalf tot achttien personen, afhankelijk van de omvang en bevolkingsdichtheid van het betreffende blok. De leden werden door de blokhoofden zelf geselecteerd en waren meestal afkomstig uit de eigen wijk, waardoor zij de bewoners en de lokale situatie goed kenden.

De wijk als werkgebied
Uit het archief van Gerrit Langelaar blijkt hoe gedetailleerd de voorbereiding in de praktijk was. Samen met zijn plaatsvervanger bracht hij alle woningen in zijn wijk in kaart.

Daarbij werd onder meer vastgelegd:

  • wie er in de woning woonde;
  • het aantal gezinsleden;
  • aanwezigheid van hulpbehoevenden;
  • aanwezigheid van kinderen en zuigelingen;
  • personen die regelmatig afwezig waren, zoals zeevarenden;
  • ligging van gas-, water- en elektriciteitsvoorzieningen;
  • aanwezigheid van hulpmiddelen zoals ladders, gereedschap of tuinslangen;
  • de aanwezigheid van een telefoonaansluiting.

 
Deze gegevens waren bedoeld om bij een calamiteit snel inzicht te hebben in mogelijke slachtoffers en beschikbare hulpmiddelen in de directe omgeving.

De blokhoofden beschikten hierdoor over een uitzonderlijk gedetailleerd beeld van hun wijk. In veel gevallen wisten zij niet alleen hoeveel mensen in een woning verbleven, maar ook of er zieken, ouderen of jonge kinderen aanwezig waren. Juist bij een calamiteit kon deze kennis van groot belang zijn.

Oefening, instructie en uitrusting
Anders dan vaak wordt gedacht, was deelname aan de LBD geen volledig vrijwillige aangelegenheid. De leden stonden in dienst van de gemeente Maassluis en ontvingen voor hun werkzaamheden een vergoeding. Daarmee vormde de LBD feitelijk een gemeentelijke hulporganisatie met officieel aangewezen personeel.

De blokploegen kwamen regelmatig bijeen voor oefeningen en instructie. Daarbij lag de nadruk op brandbestrijding, eerste hulpverlening en het organiseren van hulp bij instortingen.

In de praktijk werd geoefend met:

  • het blussen van branden;
  • het gebruik van brandbommen-tangen;
  • het vervoer van gewonden;
  • basisvaardigheden EHBO, zoals bloedstelping en kunstmatige ademhaling.

 
Opvallend is dat in de blokploeg van Langelaar ook vrouwelijke leden waren opgenomen, mede vanwege hun ervaring met eerste hulpverlening.

De gemeente stelde een standaarduitrusting beschikbaar, bestaande uit onder meer:

  • verbandkoffers;
  • helmen;
  • zaklantaarns;
  • brancards;
  • schoppen;
  • tangen voor brandbommen;
  • putsen met touw voor waterwinning in havengebieden.

 
De leden van de blokploegen waren tijdens hun werkzaamheden herkenbaar aan een zwart, ovaal emaille armschildje met witte letters, dat om de bovenarm werd gedragen. Daarnaast droegen zij een helm, meestal een zwart geschilderde Nederlandse legerhelm.

Blokhoofden en hun plaatsvervangers hadden bovendien bij hun woning een emaille schildje of een houten bordje naast de deurpost aangebracht. Zo was voor inwoners en hulpverleners direct zichtbaar waar een leidinggevende van de Luchtbeschermingsdienst woonde.

De blokploegcentrale aan de Markt
De coördinatie van de blokploegen vond plaats via een centrale die was gevestigd in de boekhandel van Bergema aan de Markt 16, direct naast het politiebureau.

De Markt gezien vanaf de Goudsteen. Links het politiebureau, daarnaast de boekhandel van Bergema

De keuze voor deze locatie zorgde voor een directe verbinding met het Hoofd van de Luchtbeschermingsdienst (HLBD), dat eveneens op het politiebureau was gevestigd. Vanuit de boekhandel werd bijgehouden waar de verschillende blokploegen zich bevonden en welke hulp waar nodig was. Daarmee fungeerde de centrale als een coördinatiecentrum voor de hulpverlening binnen de stad.

De communicatie verliep hoofdzakelijk schriftelijk. Men ging ervan uit dat telefoonverbindingen bij een bombardement konden uitvallen of overbelast zouden raken. Berichten werden daarom door ordonnansen, vaak per fiets, tussen blokploegen, centrale en politiebureau overgebracht.

Om berichten snel te kunnen overbrengen beschikten de blokploegen over speciale ordonnanskaartjes. De drager daarvan had tijdens luchtalarm toestemming om zich op straat te begeven. Zelfs personen die geen lid waren van een blokploeg konden in noodgevallen als boodschapper worden ingezet.

Werkwijze bij calamiteiten
Bij luchtalarm of een bominslag verzamelden de blokploegen zich op vooraf vastgestelde opkomstplaatsen. Vanuit daar stuurde het blokhoofd leden uit om schade te inventariseren en eerste hulp te organiseren.

De eerste meldingen gingen naar het politiebureau en de blokploegcentrale. Vervolgens werd op basis van deze informatie bepaald waar versterking nodig was.

Het systeem was erop gericht om binnen korte tijd een overzicht te krijgen van de schade, slachtoffers en noodzakelijke inzet van hulpdiensten.

Om bij een calamiteit snel over voldoende vervoermiddelen te kunnen beschikken, kon de LBD indien noodzakelijk ook motorvoertuigen vorderen. Bedrijven in Maassluis, waaronder de Vereenigde Touwfabriek en de firma C.J. van Wingerden, waren aangewezen om indien nodig voertuigen beschikbaar te stellen voor het vervoer van hulpverleners, gewonden of materieel.

De ambulance van de firma C.J. van Wingerden

Duitse maatregelen
In juli 1940 begon de Duitse bezetter ook invloed uit te oefenen op de organisatie van de LBD. In juli ontving burgemeester Schwartz een schrijven van de Inspecteur voor de Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, handelend in opdracht van de Höherer SS- und Polizeiführer en de Befehlshaber der Ordnungspolizei in Den Haag. Daarin werd bepaald dat Joodse medewerkers geen deel meer mochten uitmaken van de LBD.

Als gevolg hiervan kregen de Maassluise leden Jozeph en Beppie van Gelderen officieel bericht dat zij uit de LBD werden ontslagen. Daarmee volgde ook de LBD de geleidelijke uitsluiting van Joodse Nederlanders uit het openbare leven.

Maassluis onder de dreiging van de luchtoorlog
Hoewel Maassluis niet dagelijks werd getroffen, kreeg de stad tijdens de oorlogsjaren regelmatig te maken met luchtgevaar. Aanvallen op Duitse schepen, afzwaaiers, noodafworpen en geallieerde bombardementen zorgden ervoor dat de LBD en de blokploegen meer dan eens in actie moesten komen.

Tussen mei 1940 en februari 1945 vonden onder meer de volgende incidenten plaats:

  • 13 mei 1940 – Duitse aanval op de veerpont van Van Elzingen.
  • 25 mei 1940 – RAF-bommen op weilanden tussen Vlaardingen en Maassluis.
  • 30 juni 1940 – RAF-aanval op de Kriegsmarine in de haven.
  • 4 oktober 1940 – Nieuwe RAF-aanval op Duitse schepen in de haven.
  • 10 januari 1941 – Vier bommen bij Poortershaven.
  • 2 maart 1941 – Brandbommen achter de woningen aan de Haven.
  • 11 juni 1941 – Luchtaanval op kustvaarders op het Scheur.
  • 27 juni 1941 – Schade aan molen De Hoop en woningen aan de Koningin Wilhelminalaan.
  • 5 augustus 1942 – Beschieting van zandzuigers bij Poortershaven.
  • 6 november 1942 – Bombardement op Duitse schepen in de Buitenhaven.
  • 18 maart 1943 – Bombardement op Maassluis; negentien dodelijke slachtoffers.
  • 22 maart 1943 – Tweede bombardement op de stad.
  • 23 maart 1944 – Aanval op Wayss & Freytag; de watertoren wordt getroffen.
  • 18 september 1944 – Bommen op het Schanshoofd.
  • 25 december 1944 – Schade aan de spoorlijn naar Hoek van Holland.
  • 17 januari 1945 – Bombardement op de Duitse bunkers in Poortershaven.
  • 24 januari 1945 – Nieuwe aanval op Poortershaven en omgeving.
  • 20 februari 1945 – Zware explosie in Poortershaven.

 
Deze reeks incidenten laat zien dat de luchtoorlog gedurende de gehele bezettingsperiode nadrukkelijk aanwezig was in Maassluis. Voor de LBD en de blokploegen betekende dit dat zij voortdurend paraat moesten zijn.

Op 27 juni 1941 werd molen De Hoop aan de Zuiddijk geraakt

Inzet tijdens de oorlog
Het zwaarste moment voor de LBD en de blokploegen volgde op 18 maart 1943, toen Maassluis werd getroffen door een geallieerd bombardement op de olieraffinaderij Witol. Door het te vroeg afwerpen van de bommen werd het centrum van de stad zwaar getroffen. Er vielen achttien dodelijke slachtoffers en er ontstond uitgebreide schade aan woningen, infrastructuur en publieke gebouwen.

Ooggetuigenverslagen van blokhoofd Gerrit Langelaar laten zien dat de blokploegen die middag direct in actie kwamen. Zij hielpen bij reddingswerkzaamheden, zochten naar gewonden en vermisten, bewaakten getroffen gebieden en ondersteunden bij het bestrijden van branden. De gebeurtenissen maakten diepe indruk op de leden van de blokploegen, die voor het eerst werden geconfronteerd met de verwoestende gevolgen van een bombardement op hun eigen stad. Sommigen van hen zouden de gebeurtenissen hun verdere leven met zich meedragen en hun herinneringen later op papier zetten.

Schade na het bombardement van 18 maart 1943

Op 22 maart 1943 volgde een tweede aanval, waarbij de schade beperkter bleef maar de hulpdiensten opnieuw werden gealarmeerd. Opnieuw stonden de blokploegen paraat om de gevolgen van het bombardement op te vangen.

De LBD als civiele structuur
De LBD en de blokploegen vormden in de praktijk een civiele crisisorganisatie avant la lettre. De combinatie van lokale kennis, vooraf vastgelegde wijkgegevens, vaste uitkijkposten en gedecentraliseerde blokstructuren maakte snelle reactie mogelijk, al bleef de capaciteit beperkt ten opzichte van de daadwerkelijke schade bij zware aanvallen.

Na de oorlog
Na de bevrijding bleef de LBD nog enige tijd actief om de overgang naar de vredessituatie te begeleiden. Op zondag 1 juli 1945 werd de Maassluise Lichtbeschermingsdienst officieel geliquideerd. Dertig medewerkers ontvingen daarbij eervol ontslag.

De ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog en de toenemende spanningen tijdens de Koude Oorlog leidden enkele jaren later tot de oprichting van de Bescherming Bevolking (BB), die vanaf de jaren vijftig de taken van de LBD overnam.

Daarmee kwam een einde aan een organisatie die ruim acht jaar lang een belangrijke rol had gespeeld bij de bescherming van de Maassluise bevolking. Hoewel de LBD tijdens de bezetting moest functioneren binnen de door de Duitse autoriteiten opgelegde regels, bleef zij in de eerste plaats een gemeentelijke hulporganisatie die was opgericht om de burgerbevolking te beschermen tegen de gevolgen van de luchtoorlog.

Tot besluit
De LBD en de blokploegen vormden een belangrijk onderdeel van de civiele oorlogsinfrastructuur van Maassluis. De organisatie was sterk lokaal verankerd en gebaseerd op gedetailleerde kennis van straten, woningen en bewoners.

De archieven van betrokken blokhoofden, waaronder Gerrit Langelaar, laten zien hoe ver de voorbereiding ging en hoe groot de betrokkenheid van inwoners was. Daarmee vormt de LBD een wezenlijk, maar vaak onderbelicht onderdeel van de Maassluise oorlogsgeschiedenis. De bewaard gebleven archieven en persoonlijke aantekeningen van de blokhoofden geven bovendien een zeldzaam inkijkje in de wijze waarop Maassluis zich voorbereidde op de dreiging van de moderne luchtoorlog.

Bronnen:

  • Historische Vereniging Maassluis, Persoonlijke aantekeningen en archiefstukken van Ir. Gerrit Langelaar Gzn.
  • Historische Schetsen nr. 2, Blokhoofd kijkt terug, Gerrit Langelaar Gzn. (HVM 1985)
  • Stadsarchief Vlaardingen. Gemeentearchief Maassluis, Archief 1073, Luchtbeschermingsdienst, mappen Algemeen 1-3.;
  • Diverse krantenberichten en documentatiecollectie #WO2MS.

 

Afbeeldingen:

  • HVM Collectiebank
  • Stadsarchief Vlaardingen/Maassluis
  • Collectie #WO2MS

Gepubliceerd op:

donderdag 2 juli 2026