Dirk Dobbelstein sr.
Overtuiging in een fout systeem

Dirk Dobbelstein sr. was een in Maasland geboren Maassluizer die tijdens de Tweede Wereldoorlog lid was van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Daarmee behoorde hij formeel tot de collaborateurs. Zijn levensloop laat zien dat de werkelijkheid vaak een stuk rommeliger is dan simpele vooroordelen doen vermoeden. Tijdens de bezetting bekleedde hij invloedrijke functies binnen de Maassluise NSB, maar gebruikte hij zijn positie ook om stadgenoten te helpen. Na de oorlog werd hij door meerdere Maassluizers – onder wie verzetsmensen – in verklaringen verdedigd. Dobbelsteins keuzes laten zien dat die rommelige werkelijkheid zich afspeelt in een grijs gebied tussen overtuiging en het instinct om te overleven.

Jeugd en vormende jaren
Dirk Dobbelstein werd op 13 oktober 1891 geboren in Maasland als zoon van Pleun Dobbelstein (1866–1929), kuiper in de haringvisserij, en Martina van Nimwegen (1867–1953). In 1895 verhuisde het gezin naar Geestemünde (tegenwoordig een stadsdeel van Bremerhaven) in Duitsland, waar een groot deel van de Nederlandse – en dus ook Maassluise – haringvloot actief was.

Ansichtkaart van Geestemünde rond 1900.

Dirk groeide op in Geestemünde en later Elsfleth, plaatsen met omvangrijke Nederlandse vissersgemeenschappen. Hij volgde er onderwijs, sprak vloeiend Duits en raakte vertrouwd met de Duitse cultuur en bestuursmentaliteit. Deze vroege internationale ervaring en zijn waardering voor orde en organisatie zouden later duidelijk doorwerken in zijn wereldbeeld.

In 1911 keerde Dirk terug naar Nederland om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Na zijn oproep in oktober 1910 trad hij op 17 mei 1911 in dienst bij het 2e Regiment Vestingartillerie (2e RVA), gelegerd in de Weeshuiskazerne in Naarden. Hij werd daar onder meer ingezet als kok – een vaardigheid die later van belang zou blijken voor zijn beroepskeuze.

Gerritje Jol (1890–1971)
Tijdens zijn verblijf in Duitsland kreeg Dirk een relatie met Gerritje (Grethe) Jol, dochter van een Nederlandse kapitein. Hun verhouding was sociaal gezien ongebruikelijk: Dirk kwam uit een arbeidersgezin, Gerritje uit een hogere maatschappelijke klasse. Ondanks dit verschil hield de relatie stand.

In het voorjaar van 1913, toen de internationale spanningen in aanloop naar de Eerste Wereldoorlog opliepen, werd de Nederlandse kolonie in Duitsland ontbonden. Dirk en Gerritje trouwden op 2 november 1913 in Elsfleth. Kort daarna keerden zij terug naar Nederland en vestigden zich weer in Maassluis. In eerste instantie woonden zij noodgedwongen in bij familie, in afwachting van Dirks verdere diensttijd en een eigen bestaan.

Terug in Maassluis
Na zijn diensttijd, die eindigde na de Eerste Wereldoorlog, kon Dirk zich definitief in Maassluis vestigen. De traditionele visserij bood weinig toekomstperspectief, maar zijn ervaring als kok tijdens de militaire dienst had hem vertrouwd gemaakt met de verwerking van wild. Dat bracht hem op het idee een bestaan op te bouwen als grossier in wild, gevogelte en eieren.

Pas later vonden Dirk en Gerritje een eigen woning en werkruimte aan de De la Reystraat 7, waar zij ook hun winkel dreven. Het pakhuis bevond zich aan de Joubertstraat 31. Samen kregen zij drie kinderen: Dirk junior (1917), Gerda (1922) en Annie (1932). Zijn klantenkring reikte tot ver buiten Maassluis, onder meer naar Rotterdam en Den Haag.

De la Reystraat gezien vanaf de Burg. Van der Lelykade. Deze foto is genomen in 1924 ter ere van het bezoek van Koningin Wilhelmina aan Maassluis. De dame links zittende op een stoel (pijltje) is Gerritje Dobbelstein-Jol en de man tweede van rechts (pijltje) is haar echtgenoot Dirk Dobbelstein.

Het gezin woonde en werkte op het Hoofd, een buurt aan de Maassluise buitenhaven met een sterk eigen karakter. In de periode 1920–1950 vormde dit een hechte gemeenschap met grote onderlinge betrokkenheid en sociale controle. Reputaties waren er snel gevestigd – en moeilijk te herstellen.

Lid van de NSB
In de zomer van 1934 kreeg Maassluis een eigen NSB-afdeling. Deze omvatte ook Maasland en vormde samen NSB-groep T binnen District 12 (Rotterdam). De groep beschikte over een eigen groepshuis aan de Burgemeester de Jonghkade 18, een zichtbaar teken van de aanwezigheid van de NSB in Maassluis.

Burg. de Jonghkade in 1970 met rechts het voormalige groepshuis op nr 18.

Dirk Dobbelstein werd formeel toegelaten als lid van de NSB op 10 augustus 1935 (stamboeknummer 54345). Zijn toetreding vloeide voort uit economische zorgen, bestuurlijke frustratie en bewondering voor daadkrachtig bestuur. Als middenstander zag hij in Anton Mussert vooral een technocraat die opkwam voor Nederlandse economische belangen en zich verzette tegen internationale afspraken die volgens hem schadelijk waren voor handel en middenstand.

Zijn positieve ervaringen in Duitsland, waar hij herstel en werkgelegenheid had gezien na de crisisjaren, versterkten deze overtuiging. Van uitgesproken ideologische radicalisering of antisemitisme was bij Dobbelstein geen sprake, maar hij onderschatte het autoritaire en uiteindelijk collaborerende karakter van de beweging waarbij hij zich aansloot.

Sinds 1941 was Dobbelstein daarnaast lid van de Nederlandsche Volksdienst (NVD). Deze organisatie was nauw verbonden met Winterhulp Nederland en werd in de zomer van 1941 opgericht als Nederlandse tegenhanger van de Duitse Nationalsozialistische Volkswohlfahrt. De NVD presenteerde zich als een sociaal-maatschappelijke hulporganisatie, maar functioneerde in de praktijk als onderdeel van het nationaalsocialistische netwerk.

Na een reorganisatie in 1942 werd de Maassluise afdeling ondergebracht bij Kring 57 (Nieuwe Waterweg), samen met Hoek van Holland, als onderdeel van Groep 49.

Mei 1940
Na de Duitse inval in mei 1940 werd Dobbelstein, net als andere NSB’ers en Rijksduitsers, korte tijd geïnterneerd. Van 13 tot 14 mei 1940 zat hij vast in het pand aan de Dr. Kuyperkade 28. Tijdens verhoren sprak hij zijn afkeuring uit over de inval. Toch verbrak hij zijn banden met de NSB niet. Hij bleef hopen dat de beweging een rol kon spelen bij het beschermen van Nederlandse belangen onder Duitse bezetting.

Functies tijdens de bezetting
Tijdens de bezetting klom Dirk Dobbelstein snel op binnen de Maassluise NSB-organisatie. Hij werd op 1 november 1940 benoemd tot blokleider. Zijn verdere doorgroei werd mede bepaald door de interne situatie binnen de plaatselijke NSB-afdeling, waar sprake was van organisatorische zwakte en een structureel tekort aan kaderleden.

Op 14 september 1941 schreef Abraham Aeckerlin, de latere NSB-burgemeester van Zwijndrecht, een brief aan het NSB-Kringhuis aan de Lange Haven 90 in Schiedam met het verzoek Dobbelstein te benoemen tot groepsadministrateur. Aeckerlin gaf daarbij aan ernstig overbelast te zijn: hij fungeerde tegelijkertijd als waarnemend groepsleider, waarnemend administrateur, beheerder en propagandist. De benoeming van Dobbelstein moest verlichting brengen in deze opeenstapeling van functies.

Hoewel de functie van groepsadministrateur formeel een organisatorische rol was, betekende zij in de praktijk een duidelijke stap richting de kern van de lokale NSB-leiding. In april 1942 werd Dobbelstein benoemd tot plaatsvervangend groepsleider, waarna hij korte tijd later al doorgroeide tot groepsleider van de Maassluise afdeling.

In juni 1944 bereikte Dobbelstein zijn hoogste functie. Na een voordracht op 8 juni werd hij op 21 juni 1944 benoemd tot hoofdschout. Zijn opkomst was daarmee niet alleen het gevolg van persoonlijke ambitie, maar ook van de organisatorische zwakte van de Maassluise NSB en het gebrek aan betrouwbare functionarissen.

In die functies had Dobbelstein aanzienlijke invloed binnen de lokale NSB, al had hij geen directe zeggenschap over politie of justitie. Uit latere verklaringen blijkt dat hij zijn positie regelmatig gebruikte om Maassluizers te helpen. Hij bemiddelde bij inbeslagnames, hielp mensen aan voedsel en weigerde zich in te laten met zwarte handel. Daarbij stelde hij lokale en menselijke belangen regelmatig boven partijdiscipline.

Illustratief is zijn houding tegenover de Landwacht. Dobbelstein verzette zich tegen de oprichting van dit ‘beschermingscorps’, dat weliswaar formeel onder de NSB viel, maar feitelijk rechtstreeks onder bevel stond van Hanns Albin Rauter, de hoogste vertegenwoordiger van de SS in Nederland. In Maassluis opereerde de Landwacht buiten de invloed van de plaatselijke NSB-afdeling en, volgens Dobbelstein, zelfs in strijd met de doelstellingen van de NSB zoals hij die zelf begreep.

Gezin
De oorlog raakte ook zijn gezin direct. Zijn zoon Dirk junior dreigde te worden uitgezonden voor tewerkstelling in Duitsland. In een poging dit te voorkomen werd ook hij lid van de NSB. Uiteindelijk belandde hij via de Organisation Todt (OT) alsnog in de Duitse oorlogsindustrie. Daarmee werd pijnlijk duidelijk hoe beperkt Dobbelsteins invloed in werkelijkheid was.

Oorlogseinde
In zijn verhoor van 1 juni 1945 verklaarde Dobbelstein dat hij op 6 september 1944 (de dag na Dolle Dinsdag) per brief zijn NSB-lidmaatschap had opgezegd, omdat de partijleiding de leden ‘liet zitten’. Daarmee zag hij zichzelf – althans in eigen beleving – buiten de instortende organisatie geplaatst. Een ontvangstbevestiging van zijn opzegging kreeg hij overigens nooit.

Arrestatie en zuivering
Na de bevrijding verliep ook in Maassluis de zuivering snel. Op 7 mei 1945 begonnen de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), in samenwerking met de Politieke Opsporingsdienst (POD), met het arresteren van verdachte personen. Tot de eersten behoorden burgemeester Barend ten Dam en commissaris Filip Caspers.

In korte tijd werden in de regio enkele honderden mannen en vrouwen opgepakt, onder wie 79 Maassluizers. Zij werden ondergebracht in provisorische detentieplaatsen, zoals kamp De Beer op Rozenburg, vrouwenkamp De Bataaf in Schiedam en interneringskamp De Vergulde Hand aan de Vlaardingse Maassluissedijk.

Tekening van het kamp De Vergulde Hand van T. Keusenkamp (1945).

Ook Dirk Dobbelstein en zijn zoon werden op 7 mei 1945 aangehouden door marechaussee Willem Maurits, commandant van de BS-arrestatieploeg in Maassluis, en op verdenking van NSB-lidmaatschap overgebracht naar interneringskamp De Vergulde Hand.

De omstandigheden in het kamp waren zwaar. Gevangenen werden soms met ijzeren scheepskettingen, afkomstig van de Vlaardingse scheepswerf Figee, aan elkaar geklonken. Aan de kettingen zaten metalen enkelboeien van elk ruim twee kilo. Sommige gevangenen zaten wekenlang, dag en nacht, letterlijk aan elkaar vast. Verwondingen aan enkels en benen waren geen uitzondering. Dobbelstein berustte in zijn detentie en verklaarde zijn straf te aanvaarden.

Berechting
De behandeling van Dobbelsteins zaak vond plaats op vrijdag 11 oktober 1946 voor het Tribunaal Arrondissement Rotterdam, dat zitting hield in het Handelsgebouw aan de Parallelweg in Vlaardingen. De zaak werd enkele dagen later uitvoerig beschreven in de Nieuwe Vlaardingsche Courant.

Dobbelstein werd beschuldigd van voortgezet NSB-lidmaatschap tot september 1944, het bekleden van functies als blokleider, groepsleider en hoofdschout, lidmaatschap van de Nederlandsche Volksdienst en het trekken van voordeel uit door de bezetter genomen maatregelen. Hij erkende deze feiten.

Tegenover deze aanklachten stonden talrijke positieve verklaringen van Maassluizers, onder wie middenstanders, buurtbewoners en personen die actief in het verzet waren geweest. Opvallend was het getuigenis van Gerrit Wagner, inmiddels jurist bij de Bataafsche Petroleum Maatschappij en voormalig hoofd van de Politieke Opsporingsdienst (POD) in Vlaardingen/Westland.

Wagner verklaarde dat Dobbelstein bekendstond als iemand die altijd openlijk voor zijn mening uitkwam en zich in 1940 fel had verzet tegen de Duitse inval. Volgens hem werd Dobbelstein in Maassluis algemeen betreurd om zijn NSB-lidmaatschap, juist omdat dit niet paste bij zijn houding en optreden. Wagner benadrukte dat Dobbelstein op dinsdag 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) als enige niet was gevlucht, wat hij beschouwde als een teken van een principiële opstelling.

Daarnaast verklaarde Wagner dat Dobbelstein tijdens zijn internering een kalmerende en opvoedende invloed had gehad op medegevangenen, iets wat in de chaotische periode direct na de bevrijding van groot belang was. Wagner gaf daarbij expliciet aan dat hij slechts in dit ene geval bereid was geweest om voor een verdachte te getuigen, omdat hij Dobbelstein zag als een idealistisch gedreven man en niet als een opportunist.

Ook twee voormalige leden van de Maassluise NSB traden als getuige op: Berend Loerts en Remmerdina de Boon-van der Wiel. Loerts, van beroep commies bij de belastingdienst, had binnen de Maassluise NSB gefungeerd als administrateur en penningmeester en zat, net als Dirk en zijn zoon, geïnterneerd in kamp De Vergulde Hand. Remmerdina was tijdens de oorlog inster geweest voor de Maassluise NSB en verbleef na de bevrijding in kamp De Bataaf in Schiedam.

Beiden verklaarden dat Dobbelstein een leidinggevende positie binnen de plaatselijke NSB had bekleed, zich daarbij altijd correct had gedragen, nooit met de politie in aanraking was geweest en geen overlast had veroorzaakt. Remmerdina de Boon-van der Wiel voegde daaraan toe dat Dobbelstein volgens haar een onverbeterlijke idealist was geweest, met een weinig realistische voorstelling van wat de NSB in werkelijkheid beoogde.

Na kort beraad deed het tribunaal direct uitspraak. Dobbelstein werd veroordeeld tot 17 maanden internering, met aftrek van voorarrest, en ontzetting uit het actief en passief kiesrecht. Omdat hij sinds 7 mei 1945 vastzat, werd hij per direct in vrijheid gesteld.

Na de oorlog
Na zijn vrijlating keerde Dirk Dobbelstein eind 1946 terug naar Maassluis. Samen met zijn zoon pakte hij het werk als grossier in wild en eieren weer op. Hoewel het bedrijf profiteerde van de naoorlogse economische opleving, bereikte het nooit meer het niveau van voor de oorlog. Zijn NSB-verleden bleef hem sociaal en economisch achtervolgen.

Dirk Dobbelstein overleed op 11 mei 1967 in Maassluis. Zijn vrouw Gerritje volgde op 15 mei 1971. Beiden zijn in één graf begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Willem de Zwijgerstraat.

Tot besluit
Dirk Dobbelstein was lid van de NSB en maakte daarmee deel uit van een beweging die Nederland ernstige schade toebracht. Dat feit staat vast. Zijn levensverhaal laat echter zien hoe mensen in oorlogstijd verstrikt konden raken in overtuigingen die zij onvoldoende doorzagen, en hoe zij binnen dat kader probeerden menselijk te handelen. Het is een geschiedenis zonder eenvoudige helden of schurken, maar met blijvende morele consequenties.

Bronnen en literatuur

  • In de schaduw van de oorlog – Maarten van Buuren (Lemniscaat 2012)
  • De geschiedenis van de geslachten Jol 1648-1996 – Mw. N. Noordervliet-Jol (eigen beheer 1996)
  • Nationaal Archief, Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR),
    inv. nr 98575 (dossier 690) & inv. nr 52720 (dossier 288)
  • Stadsarchief Amsterdam, Militieregisters
  • Delpher KB Den Haag – Nieuwe Vlaardingsche Courant van 14 oktober 1946
  • Delpher KB Den Haag – Nationaal-Socialistische Almanak 1943

 

Afbeeldingen

  • Deutsche Schutzgebiete
  • Delpher KB Den Haag
  • HVM Collectiebank
  • Stadsarchief Vlaardingen/Maassluis
  • Collectie #WO2MS

Gepubliceerd op:

zaterdag 31 januari 2026