Ten Dam begon zijn loopbaan op zee. Tot ongeveer zijn dertigste voer hij in de koopvaardij en op de grote vaart, in verschillende rangen. Hij eindigde zijn zeemanscarrière als waarnemend eerste officier. Daarna werkte hij korte tijd als leraar radiotechniek aan de Zeevaartschool in Amsterdam en vervolgens drie jaar als ambtenaar bij de filiaal-inrichting van het Meteorologisch Instituut.
In 1933 startte hij een radio-distributiebedrijf in Waddinxveen. Dit bedrijf hield hij tot 1940, toen het Staatsbedrijf der PTT de particuliere radiodistributie overnam. Daarna werd hij secretaris van de commissie voor schadeloosstellingen en lid van de beroepscommissie voor de overname van radiodistributiecentrales. Met ingang van dinsdag 15 september 1942 werd hij benoemd tot ambtenaar op de gemeentesecretarie van Gouda.
NSB-burgemeester van Maassluis
Tijdens zijn burgemeesterschap woonden Ten Dam en zijn echtgenote aan de Frederik Hendrikstraat 1, een straat die tijdens de bezetting echter een andere naam droeg. Omdat straatnamen die verwezen naar leden van het Koninklijk Huis niet waren toegestaan, werd de Frederik Hendrikstraat omgedoopt tot Paulus Potterstraat. Pas na de bevrijding kreeg de straat haar oorspronkelijke naam terug.
Ten Dam werd burgemeester van Maassluis na het overlijden van zijn NSB-voorganger George M.C. Ort, die op woensdag 26 mei 1943 overleed aan de gevolgen van een geweerschot door een Duitse soldaat. Op donderdag 1 juli 1943 trad Ten Dam aan als burgemeester van Maassluis en Rozenburg. Zijn officiële installatie vond plaats op zaterdagmiddag 14 augustus 1943; hij werd daarmee de vijftiende burgemeester van Maassluis.
De plechtigheid vond plaats in de met palmen en vlaggen versierde raadzaal van het stadhuis, maar werd door de bevolking volledig geboycot. Uit protest was geen enkele Maassluizer aanwezig. Tot de genodigden behoorden onder anderen de Duitse dr. Ernst A. Schwebel, Beauftragte van de Rijkscommissaris, Joan Walrave baron van Haersolte van Haerst als gemachtigde van Mussert en de NSB-burgemeesters Willem A. Hansen (Vlaardingen) en Abraham Aeckerlin (Zwijndrecht), laatstgenoemde van Maassluizer afkomst.
De Maassluise gemeentesecretaris Leendert J. Mostert had principieel geweigerd mee te werken aan de installatie van Ten Dam. Dit leidde ertoe dat hij op dinsdag 9 november 1943 door de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz werd ontslagen. Mostert moest met zijn gezin Maassluis verlaten, maar keerde na de bevrijding terug in de stad.
De installatie-toespraak: woorden en werkelijkheid
Aan het einde van de installatie sprak Ten Dam een lange rede uit. De toespraak werd gehouden in een lege raadzaal, onder toezicht van de Duitse bezettingsmacht. Enkele kerncitaten laten goed zien hoe NSB-bestuurders hun rol probeerden te legitimeren.
Ten Dam presenteerde zijn benoeming niet als persoonlijke ambitie, maar als een plicht:
“Wij Nationaal Socialisten worden op een post aangewezen en vervullen deze opdracht dan zoo goed als mogelijk is.”
Daarmee verhulde hij dat zijn benoeming rechtstreeks voortkwam uit zijn loyaliteit aan de bezetter en de NSB.
Ook verwees hij nadrukkelijk naar zijn overleden voorganger:
“Maassluis is reeds twee jaar door een Nationaal Socialist bestuurd (…) mijn voorganger Kameraad Ort.”
Het gewelddadige einde van Ort werd niet genoemd; belangrijker was het beeld van continuïteit van het nationaalsocialistisch bestuur.
Ten Dam benadrukte herhaaldelijk dat de NSB niet zou afbreken, maar juist zou opbouwen:
“Wij zijn niet gekomen om af te breken, wij willen bouwen, bouwen aan de toekomst van ons Volk en Vaderland.”
Deze woorden stonden in schril contrast met de realiteit van de bezetting, waarin vervolging, dwangarbeid en repressie dagelijkse praktijk waren.
Het uiteindelijke doel omschreef hij als volgt:
“Een gelukkig, welvarend, zelfstandig Nederland (…) geleid door een krachtig staatsbestuur, tucht en orde.”
Hier werd het nationaalsocialisme voorgesteld als een ordelijke en redelijke bestuursvorm, terwijl het in werkelijkheid neerkwam op uitsluiting, dictatuur en onderdrukking.
Achter de ogenschijnlijk gematigde toon schuilde ook dreiging, met name richting het gemeentepersoneel:
“Van het gemeentepersoneel eisch ik (…) dat U overeenkomstig Uw loyaliteitsverklaring Uw werkzaamheden zult verrichten.”
Ambtenaren die zich niet conformeerden, riskeerden ontslag of vervolging — iets wat in Maassluis al snel realiteit werd.
Ten Dam sloot zijn rede af met een zeemansmetafoor:
“Aan de pompen of verzuipen.”
Ironisch genoeg was het juist het nationaalsocialistische bestuur dat Nederland steeds verder richting afgrond stuurde.
Arrestatie en overlijden
In de vroege ochtend van maandag 7 mei 1945 werd Barend J.H. ten Dam door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten gearresteerd. Ook zijn echtgenote werd daarbij aangehouden. Beiden behoorden tot de eerste Maassluizers die na de bevrijding werden opgepakt op verdenking van collaboratie. Zij werden aanvankelijk vastgezet in de Minister de Visserschool en later overgebracht naar het Bewarings- en Verblijfskamp De Vergulde Hand aan de Maassluisedijk in Vlaardingen, waar veel NSB’ers uit de regio terechtkwamen. Zijn echtgenote werd later vrijgelaten; nadere gegevens over de duur van haar gevangenschap zijn niet bekend.
De omstandigheden in kamp De Vergulde Hand waren in de eerste maanden na de bevrijding zwaar. Er ontbrak het aan duidelijke structuur en toezicht en een deel van de bewakers, grotendeels afkomstig uit de Binnenlandsche Strijdkrachten, gedroeg zich gewelddadig. Pas later in 1945 werd het kamp onder strikter gezag geplaatst en werden de dossiers van de geïnterneerden beter onderzocht.
Barend J.H. ten Dam maakte deze herorganisatie niet meer mee. Hij overleed op zaterdag 4 mei 1946 in het kamp tijdens een appèl aan een hartverlamming. Zijn rechtszaak was op dat moment nog niet afgerond. Op vrijdag 20 december 1946 werd zijn zaak postuum behandeld door het Tribunaal, waarbij onder meer rekening werd gehouden met de financiële positie van zijn weduwe.
