Het verhaal van Jacob Huisman en de twijfels over de juistheid van sommige onderdelen komen uit Bernhards onderzoek en herinneringen. Volgens hem leidde de manier waarop Huismans rol bij de overval destijds werd opgeblazen tot woede bij zijn vader en tot het verbreken van het contact. Om neutraal te blijven heb ik ervoor gekozen het oorspronkelijke artikel over de overval niet aan te passen, maar in dit artikel óók het perspectief van de familie Bouwman te laten zien, zodat de lezer zelf kan oordelen.
Vroege bezetting: voorzichtig en kwetsbaar
Zoals bekend waren in de eerste maanden van de bezetting de Geuzen actief in Maassluis. Zij waren de eersten: groot in durf en bravoure, maar daardoor ook uiterst kwetsbaar. Hun acties liepen slecht af en maakten pijnlijk duidelijk hoe gevaarlijk openlijk verzet was. Pas later ontstond het meer georganiseerde ondergrondse werk, waarin figuren als Bouwman een centrale rol zouden gaan spelen.
Van Leens naar Maassluis
Jan Willem Bouwman werd geboren op vrijdag 8 december 1899 in het Groningse Leens. Hij groeide op in een tijd waarin werken belangrijker werd gevonden dan doorleren. Na twee jaar Voortgezet Lager Onderwijs (VGLO) ging hij aan het werk, eerst in de landbouw en later in de handel. Een hoge opleiding had hij niet, maar wel organisatietalent, mensenkennis en een sterk ontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel. Als overtuigd christen was hij actief lid van de Gereformeerde Kerk.

In 1921 trouwde hij met Hendrikje Hommes (1899–1988). Tussen 1921 en 1942 kregen zij acht kinderen: Piet, Gien, Iep, Gert, Jan, Henk, Wim en Bernhard. Het was een groot gezin, sterk op elkaar aangewezen. Het dagelijks leven was noch overzichtelijk noch eenvoudig – een gegeven dat tijdens de bezetting van grote betekenis zou blijken.
In de jaren dertig probeerde Bouwman als middenstander een bestaan op te bouwen in Beilen (Drenthe), met een winkeltje in manufacturen en een machinale breierij. De economische crisis maakte hieraan een einde. In 1932 werd hij benoemd tot gemeenteambtenaar, ondanks zijn beperkte opleiding. Die benoeming dankte hij aan zijn reputatie als betrouwbare organisator en verbinder. Binnen verenigingen, waaronder de Bijzondere Vrijwillige Landstorm (BVL), was hij actief en breed gewaardeerd.
In 1936 volgde zijn benoeming als ambtenaar bij Sociale Zaken in Maassluis. Met zijn gezin vestigde hij zich aan Haven 17 rood. Aan de buitenkant leidde hij een onopvallend bestaan: ambtenaar, vader, kerklid. Geen man van grote woorden, wel iemand met gezag in zijn omgeving.
Twijfels en kritiek
Na de bevrijding werd Jan Willem Bouwman niet door iedereen gezien als een vanzelfsprekende verzetsman. In juli 1945 verscheen in het communistische dagblad De Waarheid een fel artikel waarin zijn benoeming tot lid van de commissie voor voorlopig onderzoek van de Politieke Opsporingsdienst (POD) in Maassluis openlijk werd bekritiseerd.
De kritiek richtte zich vooral op zijn functioneren als gemeenteambtenaar bij Sociale Zaken vóór en in het begin van de bezetting. Vanuit die functie moest hij steunaanvragen onderzoeken en beoordelen. Hij ontdekte daarbij regelmatig fraude, waarna uitkeringen werden gekort of beëindigd. Met die handelwijze maakte hij bij een deel van de Maassluizers geen vrienden. Daarnaast werd hem verweten dat hij had meegewerkt aan de uitzending van arbeiders naar Duitsland. Volgens de krant waren hierover klachten ingediend, waarvan sommige zouden worden behandeld door de commissie waarvan hij zelf deel uitmaakte.
Het is belangrijk te beseffen dat Bouwman in deze eerste bezettingsjaren opereerde in een bestuurlijk grijs gebied. Hij functioneerde binnen een kader waarin regels en bevelen door de bezetter werden opgelegd. Zijn strengheid was vooral praktisch van aard, gericht op taakuitvoering, niet op ideologische steun aan het regime.
Opvallend is dat hetzelfde artikel tegelijk erkent dat Bouwman “tijdens de laatste bezettingsperiode daadwerkelijk actie voerde tegen den bezetter”. De kern van de kritiek lag dus niet zozeer in de vraag óf hij in het verzet had gezeten, maar of hij – gezien zijn eerdere optreden – geschikt was om over anderen te oordelen. Die twijfel past in het bredere naoorlogse klimaat, waarin politieke kleur en persoonlijke ervaringen zwaar mee wogen bij de beoordeling van oorlogsgedrag.
Het omslagpunt
Het beeld verandert vanaf 1941–1942. In Maassluis namen de spanningen tussen het gemeentelijk apparaat en de bezetter toe. Na een reeks incidenten in de stad, met het fluitincident als directe aanleiding, werd burgemeester mr. P.A. Schwartz op last van de bezetter op 20 mei 1941 vervangen door een regeringscommissaris: de NSB’er George M.C. Ort.
Schwartz werd verbannen naar Rotterdam-Overschie. Bouwman bleef tot diens terugkeer in Maassluis op 6 mei 1945 contact met hem onderhouden, zoals blijkt uit bewaard gebleven briefjes in zijn persoonlijk archief. Bouwman raakte in conflict met NSB-burgemeester Ort, onder meer over de benoeming van NSB’ers in commissies. Voor hem was daarmee de ruimte om mee te buigen bereikt.
Leider van de LO
Al in 1942 begon Jan Willem Bouwman op eigen initiatief onderduikers in de regio onder te brengen, via een netwerk dat zich grotendeels buiten het legale kader bevond. Dat hij dit deed terwijl hij formeel nog functioneerde als gemeenteambtenaar, onderstreept het spanningsveld waarin hij vanaf dat moment opereerde: tussen functie en overtuiging. In het illegale werk gebruikte hij de schuilnaam ‘Henk Jansen’, bedoeld om zowel zijn eigen identiteit als het netwerk te beschermen tegen verraad en ontmaskering.
In 1943 werd hij door ds. Frits Slomp (Frits de Zwerver) gevraagd de leiding op zich te nemen van de afdeling van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) in Maassluis en omliggende plaatsen. Slomp verbleef regelmatig in Maassluis en predikte dan in de Noorderkerk, waar ook Bouwman kerkte. Mogelijk werd hier het eerste voorzichtige contact tussen beiden gelegd. Tijdens de bezetting groeide deze organisatie uit tot ten minste 58 actieve illegale contacten.
Bouwman beperkte zich daarbij niet tot coördinatie alleen. In een getuigenverslag van Abraham Naeye uit De Lier (september 1951) wordt een bijzonder riskante, maar opmerkelijke actie beschreven. Per schip wist Bouwman onderduikers en anderen van Goeree-Overflakkee weg te halen, nadat dit gebied in 1944 tot inundatiegebied was verklaard. Het ging om gevaarlijke tochten onder toezicht van de bezetter, die voor velen letterlijk een uitweg boden. Naeye typeerde deze actie treffend als “zeer gevaarlijk, maar mooi werk.”
Via het LO-netwerk hielp Bouwman naar schatting circa 250 personen aan een onderduikadres. De logistieke omvang was aanzienlijk. Structureel waren voor de eigen organisatie ongeveer 200 distributiebonnen per periode nodig; daarnaast regelde hij voor derden nog eens circa 400 bonkaarten. In totaal ging het om ongeveer 600 bonkaarten, voortdurend onder dreiging van controle en verraad.
Daarnaast ondersteunde hij de Landelijke Knokploegen (LKP) bij gewapende acties en werkte hij samen met andere verzetsstructuren. Juist die combinatie – organisator, facilitator én ambtenaar – maakte hem voor delen van de bevolking diep impopulair. Bouwman belichaamt daarmee de morele complexiteit van de bezetting: onmisbaar voor het verzet, maar voor sommigen blijvend omstreden.
Sociale zorg en financiële steun
Uit het archief van de Binnenlandse Strijdkrachten blijkt dat Bouwman zich niet beperkte tot onderduik en logistiek. De omvang van het aantal mensen dat via zijn netwerk werd geholpen – naar eigen opgave circa 250 onderduikers, vaak met achterblijvende gezinnen – maakte aanvullende sociale zorg onvermijdelijk. Vanuit die noodzaak nam hij ook initiatieven op sociaal terrein.
Zo was hij in Maassluis initiatiefnemer bij de organisatie van kindermaaltijden in de Minister de Visserschool. Op zijn verzoek en met steun van de illegaliteit richtten de heren S. van Heijst, Ph. Bijl en M. Verploegh het Interkerkelijk Bureau (IKB) op, dat in samenwerking met het Rode Kruis de kindervoeding ter hand nam. Daarmee werd de zorg bewust ondergebracht in een breder, kerkelijk en maatschappelijk verband.
In de periode van 19 februari tot 8 juni 1945 werden via deze organisatie dagelijks aan zo’n 150 kinderen warme maaltijden verstrekt. In totaal ging het om 17.574 maaltijden. Voor zieken werd daarnaast ongeveer 12.500 liter pap of soep uitgereikt. De verstrekking was gratis en werd mogelijk gemaakt door een collecte in alle Maassluise kerken, die een bedrag van ƒ 8.000 opbracht.
Daarnaast organiseerde Bouwman geldinzamelingen voor gezinnen waarvan de kostwinner was ondergedoken. Daarbij wendde hij zich expliciet tot de plaatselijke kerken, waar collectes werden gehouden ten behoeve van deze gezinnen. In Maassluis ging het daarbij om bedragen van circa ƒ 5.000 per maand — voor die tijd een zeer aanzienlijk bedrag.
In verband met de opvang van spoorwegpersoneel en complete gezinnen werd bovendien ondersteuning ingeroepen van het Nationaal Steun Fonds (NSF). Voor Maassluis en Hoek van Holland samen was ruim ƒ 10.000 nodig om deze gezinnen te kunnen onderhouden.
Kenmerkend voor Bouwmans werkwijze was dat hij deze initiatieven wel coördineerde, maar ze bewust niet aan zijn naam verbond; hij organiseerde, verbond en regelde, terwijl de uitvoering zoveel mogelijk bij anderen werd neergelegd.
In het verzet: informatie en organisatie
Vanaf 1943 werd Jan Willem Bouwman een dragende kracht binnen het georganiseerde verzet. Zijn werkzaamheden hadden een regionale reikwijdte: Maassluis, Maasland, Rozenburg en Hoek van Holland, later ook het Westland. Door persoonlijk contact met lokale commandanten probeerde hij meer samenhang te brengen in versnipperde verzetsactiviteiten.
Naast zijn organisatorische rol werkte Bouwman ook voor de Inlichtingendienst van de Ordedienst (OD) en later de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), gewest 14. In die hoedanigheid verzamelde hij grote hoeveelheden informatie over Duitse militaire objecten. Volgens Herman Bollongino in een getuigenis in 1951, als voormalig hoofd van de Inlichtingendienst, werden door Bouwman honderden tekeningen van militaire objecten verzameld en door hem op schaal uitgewerkt tot overzichtelijke kaarten. Deze informatie vormde een wezenlijke bijdrage aan het regionale inlichtingenbeeld.
Het gezin Bouwman
Binnen deze verzetsstructuur speelden ook enkele gezinsleden een rol. Met name zijn oudste zoon Piet Bouwman (1921–1993) leverde een belangrijke bijdrage. Als ambtenaar bij Rijkswaterstaat werkte hij in Hoek van Holland en had hij toegang tot het sperrgebiet. Hij beschikte over een Ausweis waarmee hij zich ook ’s nachts mocht verplaatsen en stond in contact met de Duitse havencommandant.
Die positie stelde hem in staat om gedetailleerde informatie te verzamelen over bunkers, luchtafweer, munitievoorraden, troepensterkte en voedselopslag in Hoek van Holland en op De Beer (Rozenburg). Daarnaast observeerde hij ’s avonds en ’s nachts troepenbewegingen en transporten. Deze gegevens werden structureel doorgegeven aan de verzetsorganisatie. Ook werkte Piet voor de LO en was hij betrokken bij de distributie van bonkaarten.

Risico’s aan de keukentafel
Het verzetswerk speelde zich niet alleen buitenshuis af. De woning aan Haven 17 rood werd gebruikt voor overleg, opvang en logistiek. Daarmee werd het gezin direct onderdeel van het illegale werk. Iedere klop op de deur kon gevolgen hebben. De aanwezigheid van meerdere kinderen vergrootte die kwetsbaarheid.
De risico’s werden niet lichtvaardig genomen. Bouwman betrok zijn vrouw en gezin in zijn afwegingen. Het verzet was geen individuele daad, maar een gezamenlijke last die zwijgend werd gedragen.
De overval op het distributiekantoor
Op maandag 10 april 1944 – Tweede Paasdag – werd in Maassluis een van de meest ingrijpende verzetsacties van de bezetting uitgevoerd: de overval op het distributiekantoor, gevestigd in gebouw Sursum Corda aan de Fenacoliuslaan 8. Doel was het buitmaken van distributiebescheiden om onderduikers, stakers en hun gezinnen van voedsel te blijven voorzien. Het betrof geen impulsieve actie, maar een zorgvuldig voorbereide operatie waarbij risico’s voor mens én gezin voortdurend werden afgewogen.
Het initiatief lag bij de Landelijke Knokploegen (LKP), die Jan Willem Bouwman benaderden met de vraag of een overval in Maassluis uitvoerbaar was. Bouwman nam die vraag uiterst serieus. Via zijn netwerk bracht hij het gebouw in kaart, onderzocht hij de constructie van de kluis en bestudeerde hij beveiliging en bewakingsroutines. Daarbij werd vastgesteld dat de kluis van bovenaf te kraken was: het plafond bestond uit gips, met daarboven een houten vloer — een cruciale ontdekking voor de verdere planning.
In de voorbereidende fase speelde politieagent Jacob Huisman een informerende rol. Als lid van het Maassluise politiekorps had hij toegang tot het gebouw en kennis van de interne situatie. Hij was betrokken bij de verkenning en bevestigde praktische details over bewaking en toegang. Nadat was vastgesteld dat de overval uitvoerbaar was, werd de verdere planning overgedragen aan de Landelijke Knokploegen. De operationele leiding lag aanvankelijk bij Johannes Post en, op de avond voor de overval wegens diens afwezigheid, bij diens broer Marinus Post. Johannes Post kwam meerdere malen naar Maassluis om samen met Bouwman de actie tot in detail voor te bereiden. Vanaf het begin was afgesproken dat de LKP de overval zou uitvoeren, terwijl Bouwman verantwoordelijk was voor de lokale voorbereiding, logistiek en ondersteuning.
Deze voorbereidingen brachten directe risico’s met zich mee voor het gezin Bouwman. Van de acht kinderen woonden er op dat moment zeven thuis; alleen zoon Gert zat ondergedoken. Na uitvoerig overleg besloten Jan Willem en zijn vrouw Hendrikje hun woning aan Haven 17 beschikbaar te stellen. De oudste zoon Piet en dochter Gien werden tijdelijk elders ondergebracht. Dochter Iep werd wel in vertrouwen genomen en ondersteunde haar moeder, onder meer bij logistieke taken en als koerierster.
Op zaterdag 8 april werden de wapens afgeleverd. Op zolder werden slaapplaatsen ingericht en de laatste voorbereidingen getroffen. De overvallers arriveerden op zondagmiddag één voor één, om geen argwaan te wekken. Hun fietsen werden via het trappenhuis opgeslagen in het naastgelegen kantoor van kolenhandelaar Van Heijst. Niet toevallig werd voor deze locatie gekozen: vanuit de woning was het distributiekantoor binnen enkele minuten bereikbaar via de Zure Vischsteeg, buiten het zicht van de Fenacoliuslaan. Dat maakte een snelle en relatief onopvallende benadering mogelijk.
Beneden bereidde Hendrikje maaltijden voor een groep mannen die zich zo onopvallend mogelijk door het huis bewoog — tussen spelende kinderen en een huishouden dat uiterlijk zijn gewone gang ging. In de gang hingen twee eenvoudige wandtegeltjes die de toon van deze dagen goed samenvatten. Op het ene stond: ‘Leer van het visje onder water: spartel rond maar hou je snater.’ Op het andere: ‘Muren hebben oren.’ Het waren geen decoraties, maar dagelijkse herinneringen aan discipline en zwijgzaamheid, regels die in dit huis letterlijk van levensbelang waren.
In de nacht werd gewaakt. De spanning was voelbaar, maar beheerst. Af en toe brak die beheersing even. Een van de overvallers vroeg, zichtbaar geëmotioneerd, aan Hendrikje Bouwman of hij het kleine jongetje (Bernhard), dat door de kamer kroop, even bij zich op schoot mocht nemen. Hij vertelde dat hij zelf ook zo’n klein mannetje had, dat hij al lange tijd niet had gezien en voorlopig ook niet zou zien, omdat hij had moeten onderduiken. Het was een kort, stil moment. Daarna werd het gesprek afgebroken en ging de voorbereiding verder.

In de vroege ochtend van Tweede Paasdag vertrokken de overvallers, wederom gespreid. Bij de uitvoering van de overval vervulde Jacob Huisman een vooraf afgesproken, afgebakende rol. Na binnenkomst in het gebouw legde hij contact met de andere bewaker op de bovenverdieping en begaf zich vervolgens naar beneden om de deur te openen voor de overvallers. Hierdoor konden enkele leden van de knokploeg de aanwezige bewaker zonder geweld uitschakelen en knevelen. De overige overvallers konden daarop ongehinderd naar de zolder gaan, waar zij een luik zaagden boven de kluis.
De actie slaagde. Ongeveer 20.000 distributiebonnen – voldoende voor twee distributieperioden – werden buitgemaakt. Na afloop verliet Huisman het gebouw via een andere route dan de overvallers met hun buit. Onderweg kleedde hij zich om en begaf hij zich naar een vooraf afgesproken onderduikadres, in het bezit van een nieuw, vervalst persoonsbewijs.
De risico’s namen onmiddellijk toe. Enkele uren na de overval werd een speurhond ingezet, die via de Zure Vischsteeg de Haven opliep. Volgens overlevering sloeg de hond kort aan bij het huis van Bouwman, maar werd door zijn geleider verder getrokken. Mogelijk had een van de overvallers in de kluis een zakdoek of kledingstuk achtergelaten. Het gezin was letterlijk door het oog van de naald gekropen.
Over de rolverdeling bij de overval zijn na de oorlog verschillende lezingen ontstaan, met name rond Jacob Huisman. In latere publicaties benadrukte hij zijn eigen betrokkenheid. Andere bronnen, waaronder verklaringen van betrokken verzetsmensen en familieleden, schetsen een genuanceerder beeld. Wat met zekerheid kan worden vastgesteld, is dat de overval tot stand kwam door een samenspel van informanten, voorbereiders en uitvoerders: de LKP als uitvoerende macht, Bouwman als spil in de lokale voorbereiding, en een beperkt aantal anderen met specifieke, afgebakende bijdragen.
De overval op het distributiekantoor was geen heldendaad van één man, maar een collectieve onderneming, gedragen door vertrouwen, discipline en het zwijgen van velen. Dat zij slaagde zonder directe arrestaties, mag met recht uitzonderlijk worden genoemd.
Ordedienst en Binnenlandse Strijdkrachten
Binnen de OD fungeerde Bouwman als plaatsvervanger van de districtscommandant en bouwde hij de organisatie op in de regio. Vanaf september 1944 maakte hij deel uit van de districtsstaf van de Binnenlandse Strijdkrachten. Zijn rol bleef coördinerend en organisatorisch, gericht op de laatste fase van de bezetting en de overgang naar de bevrijding.

Na 1945: erkenning en afstand
Na de bevrijding belandde Jan Willem Bouwman in een ongemakkelijke naoorlogse werkelijkheid. Zijn verzetswerk werd erkend, maar de discussies over zijn eerdere functioneren bleven. Opvallend is dat hij nooit officieel werd onderscheiden voor zijn verzetswerk. Uit het archief van de Binnenlandse Strijdkrachten blijkt dat er wel een poging is gedaan een onderscheiding voor hem aan te vragen vanwege zijn vele en gevaarlijke activiteiten tijdens de oorlog, waarbij diverse mensen uit zijn netwerk ondersteunende verklaringen hebben afgelegd. Alles wijst er echter op dat, voor zover bekend, geen onderscheiding daadwerkelijk is toegekend.
Op maandag 14 december 1981 ontvingen 127 stadsgenoten die tijdens de Tweede Wereldoorlog actief waren geweest in het verzet uit handen van Prins Bernhard in de kerkzaal van de Koningshof verzetsherdenkingskruizen, waarvan negenenvijftig postuum. Ook hier was Bouwman – die inmiddels was overleden – niet bij inbegrepen.
Bouwman zelf trad nauwelijks naar voren. Hij zocht geen publiek debat en trok zich geleidelijk terug uit het gesprek over de oorlog. Dat zwijgen lijkt bewust: uit latere bronnen ontstaat het beeld van iemand die moeite had met verhard oordelen en selectieve herinnering, en ervoor koos verder te leven zonder strijd om erkenning.
Leven na Maassluis
Bouwman bleef tot 1949 als officier werkzaam bij de Binnenlandse Strijdkrachten (BS). Daarna trok hij zich langzaam terug uit de actieve verzetswereld. Pogingen om door te stromen binnen de overheid liepen op niets uit, waarna hij uiteindelijk gemeenteambtenaar werd in Brielle. Voor deze functie moest hij dagelijks per bromfiets en twee ponten reizen, wat zijn terugkeer naar een rustig ordelijk bestaan symboliseerde.
Een onverwachte financiële meevaller – de aankoop van een partij basaltblokken – maakte de bouw van een groot gezinshuis mogelijk. In 1951 verhuisde het gezin naar Vierpolders (Brielle); zeven kinderen woonden toen nog thuis.
De Gereformeerde Kerk bleef centraal in zijn leven. Bouwman was jarenlang ouderling en bestuurslid in Maassluis, Brielle en later in Voorthuizen. Daarnaast was hij initiatiefnemer van het Christelijk Conferentiecentrum De Meeuw in Brielle, waar hij jarenlang voorzitter van het bestuur was. Over de oorlog werd weinig gesproken.
Jan Willem Bouwman overleed op dinsdag 19 december 1978 op 79-jarige leeftijd en ligt begraven in Haren, samen met zijn echtgenote Hendrikje en dochters Margiena en Iep.
Slot
Jan Willem Bouwman was geen man van grote woorden. Hij leefde vanuit overtuiging, nam verantwoordelijkheid wanneer hij die voelde en stapte terug toen hij meende dat zijn rol was uitgespeeld. Over zijn plaats in de geschiedenis liet hij liever anderen oordelen.
Het beeld blijft complex: niet vlekkeloos, niet eenduidig, wel menselijk. Dat maakt zijn verhaal waardevol om te vertellen.
Het startsein voor nader onderzoek naar de rol van Jan Willem Bouwman in het Maassluise verzet werd uiteindelijk gegeven door de map ‘Herinneringen aan het Verzet’. Deze map werd direct na de oorlog samengesteld door zijn vrouw, Hendrikje Bouwman.
Na haar overlijden in 1988 maakte de map deel uit van de nalatenschap en kwam zij in het bezit van hun dochter Iep. In 2017 dook de map opnieuw op bij het leeghalen van haar woning, in verband met haar opname in een verzorgingshuis. Vanaf dat moment begon de familie de inhoud te ordenen en vast te leggen, waarna het materiaal aan mij werd overgedragen.
Zoals Bernhard het verwoordde, kan het samenstellen en zorgvuldig bewaren van de map worden gezien als een subtiele hint van zijn moeder: dat iemand binnen de familie ooit de draad zou oppakken en het verzetswerk van haar man tijdens de Tweede Wereldoorlog zichtbaar zou maken.
Dankzij dit begin konden historische bronnen, overleveringen en archiefonderzoek samenkomen in een genuanceerd beeld van Bouwmans activiteiten. Het onderzoek, samengebracht en toegankelijk gemaakt via de website #WO2MS Maassluis in de oorlog, biedt daarmee niet alleen inzicht in zijn persoonlijke inzet, maar ook in de bredere structuur en dynamiek van het lokale verzet in Maassluis.




