Een kamp uit nood geboren
Het kamp werd in de zomer van 1945 ingericht op een terrein waar tijdens de oorlog een schijnwerperstelling van de Duitse Marine-Flak-Abteilung 813 had gestaan. Deze eenheid was verantwoordelijk voor de luchtafweer in de regio rond Vlaardingen tot Hoek van Holland en ondersteunde onder meer de grote Flakstelling in de Spaanse Polder, evenals nevenstellingen in Pernis, Heijplaat, Waalhaven en Hillesluis.
De aanwezige infrastructuur — barakken, loodsen en militair materieel — werd haastig aangepast en uitgebreid. Veel van dat werk werd uitgevoerd door de gevangenen zelf.
Die locatiekeuze was geen toeval. Al op donderdag 24 mei 1945 had de toenmalige POD-chef Gerrit Wagner in een brief aan burgemeester Siezen gepleit voor een centrale interneringsplek. Tot dat moment zaten arrestanten verspreid over de regio, vaak in leegstaande scholen die totaal ongeschikt waren voor langdurige detentie.

Wagner stelde voor gebruik te maken van het verlaten Duitse kamp aan de Vlaardingerdijk, “tussen de dijk en de rivier”, ter hoogte van boerderij De Vergulde Hand. Het terrein werd op dat moment nog bewaakt door de Binnenlandse Strijdkrachten. Daarnaast stelde hij voor houten barakken van een andere Duitse locatie bij de Kethelweg naar deze plek over te brengen. Met instemming van de burgemeester werd dit plan snel uitgevoerd, met inzet van zowel arbeiders als gevangenen.
Wat ontstond was geen zorgvuldig ontworpen inrichting, maar een kamp uit pure noodzaak: een afgesloten terrein met prikkeldraad, wachttorens met zoeklichten en een wirwar van aaneengeschakelde gebouwen. Het geheel was zichtbaar geïmproviseerd.

De organisatie lag in handen van de Politieke Opsporingsdienst (POD), belast met het opsporen en onderzoeken van ‘foute’ Nederlanders. In Vlaardingen en omgeving werden in korte tijd honderden arrestaties verricht. Al snel zaten er enkele honderden mensen vast in De Vergulde Hand — een aantal dat later opliep tot rond de 600.
In elk geval was het kamp eind juni 1945 al in gebruik. Uit latere verklaringen blijkt dat er op donderdag 28 juni al gevangenen zaten. Het eerste bewaard gebleven dagrapport, van maandag 2 juli 1945, noemt 169 gevangenen, van wie er drie in de ziekenzaal lagen. Op dat moment droeg het kamp nog de naam De IJzeren Vuist; pas op zaterdag 21 juli 1945 werd dat gewijzigd in De Vergulde Hand, naar de boerderij aan de overzijde van de dijk.
Snelle berechting was onmogelijk. Elk dossier moest afzonderlijk worden onderzocht, terwijl vrijwel alles ontbrak: personeel, transport, administratieve middelen en zelfs basisvoorzieningen zoals voedsel en onderdak.
Wat zich in Vlaardingen afspeelde, stond niet op zichzelf. Overal in Nederland worstelde men met dezelfde problemen. Het reguliere gevangeniswezen kon de stroom arrestanten niet aan, waardoor geïmproviseerde kampen ontstonden waarin grote aantallen mensen — vaak zonder dat hun zaak al was behandeld — werden vastgehouden.
De bewaking lag veelal in handen van onervaren krachten, vaak afkomstig uit het verzet, die zonder opleiding en met de emoties van de bezettingsjaren nog vers hun taak moesten uitvoeren. Dat leidde regelmatig tot misstanden en machtsmisbruik. De situatie in kampen als De Vergulde Hand was daarmee geen uitzondering, maar onderdeel van een landelijk patroon van improvisatie, haast en morele spanning.
De rol van Maassluizer Gerrit Wagner
In deze chaotische omstandigheden speelde de 29-jarige Gerrit Wagner een centrale rol in de regionale zuivering. Wagner — voluit Gerrit Abram Wagner, verzetsnaam Karel van der Mark — was een Sluizer en woonde bij zijn ouders, samen met vijf broers en zussen, aan de Burgemeester Van der Lelykade 9.
Als hoofd van de Politieke Opsporingsdienst in Vlaardingen/Westland kreeg hij direct na de bevrijding de opdracht om dit proces in goede banen te leiden — op nadrukkelijk verzoek van het Militair Gezag (MG), dat vanuit Londen was aangewezen als tijdelijk overgangsbestuur.
Daarmee raakte hij direct aan de kern van het probleem. Al op 12 september 1944 was in Londen vastgelegd hoe met collaborateurs moest worden omgegaan: eerst arresteren en interneren, daarna pas berechten. In de praktijk betekende dit dat mensen als Wagner vooral verantwoordelijk waren voor het eerste deel — ‘oppakken en opbergen’ — terwijl de rechtspraak nog op gang moest komen.
Tijdens de oorlog had Wagner zijn sporen verdiend in het verzet en de illegale pers, onder meer bij Trouw en later de lokale verzetskrant Het Laatste Nieuws. In de hongerwinter trok hij al door de regio om, vooruitlopend op de bevrijding, lijsten en beoordelingen op te stellen van mogelijke collaborateurs. Toen districtsleider majoor Jansen van het MG hem in mei 1945 vroeg de POD op te zetten, wilde hij aanvankelijk zijn baan niet opgeven. Het antwoord was veelzeggend: het betrof geen verzoek, maar een bevel. Zo belandde hij tegen wil en dank midden in de zuivering.
Hij begon vanuit een vrijwel leeg opgezette organisatie. De POD werd ondergebracht in een gevorderde villa van een NSB’er aan de Schiedamseweg 96. Er waren nauwelijks bureaus, geen schrijfmachines, geen transport en amper personeel. Met een klein team – onder anderen Weststrate (administratie), Van der Graaf (onderzoek) en Thiele (kampen) – bouwde Wagner in korte tijd een werkend apparaat op.
Die geïmproviseerde start gold niet alleen voor de organisatie, maar ook voor de detentie zelf. Wagner speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van het centrale interneringskamp De Vergulde Hand, waarmee een einde moest komen aan de verspreide en chaotische opvang van arrestanten in de regio. Tegelijkertijd moest hij met minimale middelen een volledig nieuw opsporings- en detentieapparaat opbouwen.
De opdracht was duidelijk, de uitvoering allerminst. De POD moest beoordelen of arrestaties terecht waren, dossiers samenstellen en bepalen wie vast moest blijven zitten. Tegelijkertijd werden “bewijzen van politieke betrouwbaarheid” afgegeven aan mensen die zich weer vrij moesten kunnen bewegen.
Volgens Wagner werden in de eerste weken al veel onterecht opgepakte mensen vrijgelaten. Tegelijkertijd was hij opvallend eerlijk over de tekortkomingen van het systeem:
“Er lag erg veel macht in handen van mensen die daar in de kern van de zaak niet mee om konden gaan.”
Die macht lag niet alleen bij de POD, maar ook bij de bewaking en het kampapparaat. Wagner kreeg daar direct mee te maken. Toen kampcommandant Wout van Lent hem meldde dat sommige bewakers zich “als moffen” gedroegen, greep hij hard in. Nog diezelfde dag stuurde hij tientallen bewakers naar huis — een rigoureuze, maar volgens hem noodzakelijke maatregel.
Hoe voorlopig en geïmproviseerd alles was, blijkt ook uit de materiële verzoeken vanuit het kamp. Op zaterdag 30 juni 1945 vroeg Van Lent om honderd helmen, honderd koppelriemen en zelfs een sirene. Voor de polikliniek waren nauwelijks medische middelen aanwezig; er werd simpelweg gevraagd om “wat verbandmiddelen”.

Tegelijkertijd begon zich binnen het kamp een vaste werkwijze af te tekenen. Nieuwe gevangenen werden eerst naar de centrale barak gebracht, waar zij bij binnenkomst werden gefouilleerd. Persoonlijke bezittingen verdwenen in papieren zakken, voorzien van een beschrijving en gecontroleerd door een boekhouder. Daarna werden ze geregistreerd en opgeslagen in een afgesloten ruimte. Het zijn bureaucratische details die laten zien hoe snel geprobeerd werd orde aan te brengen in een chaotische situatie.
Ook buiten het kamp liep Wagner tegen de grenzen van het systeem aan. In het interneringskamp voor vrouwen De Bataaf in Schiedam brak onrust uit. Wagner ging erheen, klom op een tafel en besloot iedereen persoonlijk aan te horen – één voor één. Zijn aanpak was pragmatisch en direct, ingegeven door het ontbreken van een functionerende bureaucratie.
Het fundament bleef echter wankel. De POD was vaak afhankelijk van verklaringen en tips van derden, waarvan de betrouwbaarheid lang niet altijd vaststond. Beslissingen moesten snel worden genomen, met grote gevolgen voor de betrokkenen.
Die spanning kwam ook van buitenaf onder woorden. Op dinsdag 31 juli 1945 waarschuwde Gelijn Werner, hoofdredacteur van het voormalige illegale blad ‘Ick Waeck’, publiekelijk tegen misstanden in de kampen. Zolang gevangenen nog niet veroordeeld waren, stelde hij, hadden zij recht op een correcte behandeling. Mishandeling en willekeur waren volgens hem onacceptabel — temeer omdat zich onder de gevangenen mogelijk ook onschuldigen bevonden.
Pas met de komst van speciale vervolgingsambtenaren – de fiscalen van de bijzondere rechtspleging – en het op gang komen van de tribunalen veranderde dat. Vanaf dat moment lag de uiteindelijke beslissing niet langer bij de POD, maar bij de rechtspraak.
Terugkijkend was Wagner nuchter in zijn oordeel. Er waren fouten gemaakt – soms uit onkunde, soms uit emotie, soms door de omstandigheden. Tegelijkertijd stelde hij vast dat het, gegeven de chaos van dat moment, moeilijk anders had gekund.
De eerste maanden na de bevrijding waren daarmee geen strak geregisseerde zuivering, maar een zoektocht naar orde in een land dat net uit vijf jaar bezetting kwam – met Wagner ergens in het midden, balancerend tussen noodzaak, macht en twijfel.
Wanorde, willekeur en wraak
De eerste maanden in De Vergulde Hand werden gekenmerkt door gebrek aan structuur en controle. De omstandigheden waren slecht, de organisatie gebrekkig en toezicht ontbrak grotendeels. Gevangenen leden honger, medische zorg was minimaal en mishandeling kwam voor.

De bewaking bestond uit een bont gezelschap van voormalige verzetsmensen, werklozen en mannen die net uit Duitse kampen waren teruggekeerd. Dat leidde tot een explosieve mix van frustratie, trauma en machtsgevoel.
Sommige bewakers probeerden hun taak zorgvuldig uit te voeren, anderen sloegen door. Voor een deel van hen voelde het bewaken van collaborateurs als genoegdoening – een kans om na jaren van bezetting iets terug te doen.
Daarbij zaten lang niet alle gevangenen terecht vast. Veel arrestaties waren gebaseerd op verdenkingen, geruchten of persoonlijke afrekeningen. Bewijs ontbrak regelmatig. In die context werd de scheidslijn tussen recht en wraak gevaarlijk dun.
De ‘Vlaardingse kettingen’
Het meest beruchte aspect van het kamp was het gebruik van zware ijzeren kettingen – later bekend als de ‘Vlaardingse kettingen’. Gevangenen werden hiermee aan elkaar of aan hun benen vastgeklonken, soms wekenlang, dag en nacht.
De kettingen waren afkomstig van de Vlaardingse scheepswerf Figee aan de Koningin Wilhelminahaven en bestonden uit zware schakels met metalen enkelboeien van ruim twee kilo per stuk. In sommige gevallen zaten vier mannen met meerdere kettingen aan elkaar vast. Zij moesten alles gezamenlijk doen: slapen op stro, eten, zich verplaatsen en zelfs naar het toilet gaan.
De gevolgen waren voorspelbaar. Door het constante schuren van het ijzer raakten enkels en benen open. Wonden ontstaken en werden vaak nauwelijks behandeld. Ontkleden was vrijwel onmogelijk; ook ’s nachts bleven de kettingen om.
De maatregel werd ingevoerd in de beginperiode van het kamp, onder verantwoordelijkheid van de eerste kampcommandant Cornelis Wijman. Het doel was praktisch: ontsnappingen voorkomen in een slecht beveiligd kamp. In de praktijk groeide het uit tot een vernederende en pijnlijke vorm van groepsstraf.
Na rapportages over de misstanden werd van hogerhand ingegrepen. Onder kampcommandant Wout van Lent – en op last van hogerhand, onder meer vanuit het kabinet van minister-president Schermerhorn – werd het gebruik van de kettingen in het najaar van 1945 beëindigd. Op dinsdag 27 november 1945 werden de laatste gevangenen ontketend.
Tegen die tijd hadden de kettingen hun sporen al nagelaten, letterlijk en figuurlijk. Sommige verwondingen bleven nog jaren zichtbaar.
Honger en overleven
Ook de voedselvoorziening was in het begin onder de maat. Nederland kampte nog altijd met schaarste, en dat was in het kamp duidelijk merkbaar.

Gevangenen kregen vaak niet meer dan waterige soep. Sommigen probeerden hun rantsoen aan te vullen met wat ze buiten konden vinden. Paardenbloembladeren werden bijvoorbeeld rauw gegeten, met maagklachten tot gevolg. Van één gevangene is bekend dat hij langs de slootkant kikkers ving, deze vilde en opat om de ergste honger te stillen.
Voor veel gevangenen stond het dagelijks leven vooral in het teken van overleven.
Werk en geleidelijke normalisatie
Vanaf eind 1945 trad langzaam verbetering op. De POD werd professioneler georganiseerd en de rechtspraak kwam op gang. Fiscalen namen beslissingen over de verdere afhandeling van zaken.
Voor Wagner betekende dit een belangrijke verandering: waar hij in het begin zelf beslissingen moest nemen over vrijlating of detentie, kwam dat proces nu in meer formele handen te liggen.
Binnen het kamp ontstond meer structuur. Onschuldige gevangenen werden vrijgelaten, lichtere gevallen kwamen voorlopig op vrije voeten en zwaardere gevallen werden overgebracht naar reguliere gevangenissen.
Er werd arbeid ingevoerd: gevangenen werkten binnen het kamp of bij bedrijven in de regio. Een deel van hun loon kon naar hun gezin worden gestuurd.

Daarnaast kwam er aandacht voor scholing en ontspanning. Er werden cursussen georganiseerd, een bibliotheek ingericht en activiteiten zoals sport en muziek aangeboden. Predikanten en een aalmoezenier zorgden voor geestelijke begeleiding.
Het kamp ontwikkelde zich geleidelijk van een geïmproviseerde opvangplek tot een meer gestructureerde inrichting.
Maassluizers in De Vergulde Hand
In de eerste dagen na de bevrijding zaten alleen al uit Maassluis 79 mensen vast in kamp De Vergulde Hand. Mannen en vrouwen die werden verdacht van collaboratie. Achter dat aantal gingen bekende namen en functies schuil.
De meest in het oog springende naam was die van NSB-burgemeester Barend J.H. ten Dam. In de vroege ochtend van maandag 7 mei 1945 werd hij samen met zijn echtgenote gearresteerd door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten. Beiden werden in eerste instantie vastgezet in de Minister de Visserschool en later overgebracht naar De Vergulde Hand.
Zijn echtgenote werd na verloop van tijd vrijgelaten, maar Ten Dam zelf zou het kamp niet meer verlaten. Een jaar na zijn arrestatie, op zaterdag 4 mei 1946 overleed hij tijdens een appèl aan een hartverlamming. Zijn rechtszaak was toen nog niet afgerond. Pas op vrijdag 20 december 1946 werd zijn zaak postuum behandeld door het tribunaal.
Ook Dirk Dobbelstein en zijn zoon werden op maandag 7 mei 1945 door de BS gearresteerd en naar het kamp overgebracht. Daarnaast belandden onder meer de NSB-korpschef van politie Filip Caspers en de politieagenten Modderkolk en Minnema in De Vergulde Hand.
Hun aanwezigheid laat zien hoe breed de zuivering werd ingezet: niet alleen bekende NSB’ers, maar ook bestuurders en ambtenaren kwamen in het systeem terecht — vaak op basis van verdenkingen die pas later, of soms helemaal niet, werden bevestigd.
Ontsnappingen en incidenten
Ondanks de beveiliging wisten meerdere gevangenen te ontsnappen. In totaal slaagden zeven mannen erin te ontkomen: drie via het riool (later weer opgepakt), drie door zich dood te houden in het lijkenhuisje en zo het kamp uit te worden gedragen, en één via het prikkeldraad in de winter.
De overvolle situatie leidde ook tot grotere incidenten. In het voorjaar van 1946 liep het aantal gevangenen zo hoog op dat kampcommandant Wout van Lent besloot tot overplaatsing.
Op maandag 20 mei 1946 werden 193 NSB’ers onder bewapende bewaking naar de Superfosfaatfabriek gemarcheerd, waar een schip klaar lag. In het ruim ging het mis: het dek stortte in, waarbij ook elf bewakers zo’n 2,5 meter naar beneden vielen. Wonder boven wonder bleef de schade beperkt. Slechts twee gevangenen raakten gewond; één van hen moest naar het ziekenhuis.
Deze incidenten onderstreepten hoe kwetsbaar en geïmproviseerd de organisatie lange tijd was gebleven.
Van internering naar rechtspraak
Langzaam kwam ook de berechting op gang. Op vrijdag 11 oktober 1946 startte in het Handelsgebouw aan de Parallelweg in Vlaardingen het tribunaal van het arrondissement Rotterdam.
Hier werd beslist over het lot van vele geïnterneerden uit De Vergulde Hand. Al op de eerste zittingsdag kwamen zaken aan bod van kampgevangenen, waaronder die van de Maassluizer Dirk Dobbelstein.
De start van het tribunaal werd gezien als een noodzakelijke stap. Tot dat moment zaten veel gevangenen al maanden — soms langer — vast zonder definitieve veroordeling. De rechtspraak moest een einde maken aan die onzekere situatie.
Einde van het kamp
Naarmate de rechtsgang vorderde en het aantal geïnterneerden afnam, verloor het kamp zijn functie. Op zaterdag 31 januari 1948 werd De Vergulde Hand officieel gesloten.
Na de sluiting bleef het terrein nog lange tijd grotendeels ongebruikt. Tijdgenoten spraken schamper over een verlaten complex “waar de rust heerste als op een kerkhof”, terwijl er tegelijkertijd een groot tekort was aan woon- en werkruimte.
Van het kamp zelf is tegenwoordig niets meer terug te vinden. Het terrein is opgegaan in het industriegebied ’t Scheur, zonder zichtbare sporen van wat zich daar heeft afgespeeld.

Een ongemakkelijke erfenis
Het verhaal van De Vergulde Hand laat zien dat de bevrijding niet alleen een periode van opluchting was, maar ook van chaos, vergelding en morele dilemma’s.
In de haast om recht te doen aan vijf jaar bezetting, werd dat recht soms zelf geweld aangedaan. Tegelijkertijd probeerden betrokken functionarissen, onder wie Gerrit Wagner – met beperkte middelen en onder grote druk – een systeem op te bouwen dat rechtvaardig moest zijn in een tijd waarin daar nauwelijks ruimte voor was.
De vraag is dan ook niet alleen of het beter had gekund, maar vooral of het onder deze omstandigheden wezenlijk anders had kunnen verlopen.
Wat begon als een ogenschijnlijk heldere opdracht – het afrekenen met “foute” Nederlanders – bleek in de praktijk een weerbarstig en rommelig proces, waarin grenzen voortdurend werden opgezocht en soms overschreden.
Het kamp is verdwenen, maar het verhaal blijft — als herinnering aan een tijd waarin goed en fout minder zwart-wit bleken dan kort na de oorlog misschien werd gehoopt.