Burgemeester Schwartz werd afgezet en verbannen tijdens de bezetting

Toen de Duitse troepen in mei 1940 Nederland bezetten, stond mr. Pieter Abraham Schwartz al bijna zeven jaar aan het hoofd van het gemeentebestuur van Maassluis. De jurist en Anti-Revolutionaire Partij (ARP)-politicus, afkomstig uit gereformeerde kring, gold als een rustige en plichtsgetrouwe bestuurder. Toch zou zijn burgemeesterschap tijdens de bezetting abrupt worden onderbroken. Na het ’fluitincident’ op 13 mei 1941 werd hij door de Duitse autoriteiten uit zijn functie gezet en zelfs uit Maassluis verbannen.

Pieter Abraham Schwartz werd geboren op 31 januari 1892 in Zaandam. Hij was een zoon van Johannes Hendrik Fredrik Schwartz en Aurelia van Keimpema. Hij bezocht het Gereformeerd Gymnasium in Amsterdam, waarna hij rechten ging studeren aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Later vervolgde hij zijn studie aan de Rijksuniversiteit Leiden, waar hij op 16 mei 1930 zijn doctoraal Nederlands recht behaalde. Deze opleiding vormde in die tijd vaak de basis voor een loopbaan in het openbaar bestuur.

Na zijn studie begon hij zijn carrière bij de gemeentelijke overheid. Van 1918 tot 1919 werkte hij als ambtenaar op de gemeentesecretarie van Waddinxveen. Zijn bestuurlijke loopbaan ontwikkelde zich snel: al in 1919 werd hij benoemd tot burgemeester.

Tijdens zijn burgemeesterschap in Zeeland trad hij in het huwelijk. Op 14 september 1921 trouwde hij in Krabbendijke met Catharina Vogelaar. Uit het huwelijk werden zes kinderen geboren, waardoor het gezin Schwartz uiteindelijk uit acht personen bestond.

Burgemeester van Rilland-Bath
Op 16 juli 1919 trad Schwartz aan als burgemeester van de Zeeuwse gemeente Rilland-Bath. Hij zou deze functie ruim veertien jaar vervullen.

In deze periode bouwde hij ervaring op als gemeentebestuurder in een relatief kleine gemeente. Zijn werk viel op, en in 1933 volgde een nieuwe benoeming die hem naar een grotere stad zou brengen.

Burgemeester van Maassluis
Op 15 juli 1933 werd Schwartz benoemd tot burgemeester van Maassluis. Daarmee werd hij de dertiende burgemeester van de stad. Hij volgde Cornelis Pieter Isaak Dommisse op, die het ambt vóór hem had bekleed. Het stadhuis bevond zich in die jaren aan de Hoogstraat 1, van waaruit het gemeentebestuur de stad leidde.

15 juli 1933 burgemeester Schwartz en zijn echtgenote worden verwelkomd bij de stadsgrens.

Schwartz vestigde zich met zijn gezin in een burgemeesterswoning aan de Govert van Wijnkade 10, op korte afstand van het centrum van de stad.

Naast zijn werk als burgemeester was hij ook korte tijd actief in de landelijke politiek. Tussen 3 maart 1936 en 8 juni 1937 was hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Als parlementariër voerde hij onder meer het woord over wetsvoorstellen op het gebied van binnenlands bestuur en justitie, evenals over de begroting van Sociale Zaken voor 1937.

In de jaren dertig stond hij bekend als een degelijke bestuurder die zich vooral richtte op het dagelijks bestuur van de gemeente.

Burgemeester Schwartz met stok bij een defilé van Nederlandse troepen in Maassluis. Links als eerste wethouder H. van Rossen, tweede (met bolhoed) wethouder P.J. de Pagter Sr en de derde is secretaris L.J. Mostert.

De Duitse bezetting
Na de Duitse inval van 10 mei 1940 bleef Schwartz, zoals de meeste Nederlandse burgemeesters, aanvankelijk op zijn post. De Duitse bezetter liet het bestaande gemeentebestuur grotendeels functioneren, zolang burgemeesters de Duitse maatregelen uitvoerden en de openbare orde handhaafden.

Voor veel bestuurders betekende dit een moeilijke positie. Zij moesten het gemeentelijk bestuur draaiende houden, maar stonden tegelijk onder druk van de bezetter en de groeiende invloed van de NSB.

Ook in Maassluis nam de spanning in de loop van 1941 toe.

Het fluitincident
Op 13 mei 1941 vond in Maassluis een incident plaats dat grote gevolgen zou hebben voor burgemeester Schwartz. Aan de buitenhaven, op ’t Hoofd bij de Burgemeester De Jonghkade, hadden zich aan het einde van de dag verschillende inwoners verzameld om naar de verrichtingen van de Duitse Kriegsmarine te kijken.

Tijdens de dagelijkse vlaggenparade, waarbij bij zonsondergang de Duitse scheepsvlaggen ceremonieel werden neergehaald, bootste een van de aanwezige jongeren het fluitsignaal na waarmee het protocol normaal gesproken werd gestart. De Duitse bemanning dacht dat het officiële signaal had geklonken en haalde daarop de vlaggen neer.

Toen bleek dat het om een grap ging, reageerden de Duitse militairen woedend. Gewapende matrozen sprongen van boord en arresteerden meerdere aanwezige jongeren. Zij werden overgebracht naar de Kommandopost van de Ordnungspolizei aan de Dr. Kuyperkade.

De Duitse autoriteiten beschouwden het incident als een openlijke belediging van de Duitse troepen. De zaak werd uiteindelijk voorgelegd aan Hanns Albin Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer in Nederland en daarmee de hoogste politieautoriteit van de Duitse bezetter.

Ontslag en verbanning
De bezetter stelde burgemeester Schwartz verantwoordelijk voor het handhaven van de orde in de stad. Volgens de Duitse autoriteiten had hij onvoldoende opgetreden tegen anti-Duitse uitingen onder de bevolking.

Schwartz probeerde de situatie nog te kalmeren. Op 17 mei 1941 liet hij in Maassluis een affiche aanplakken waarin hij de inwoners opriep tot rust en kalmte.

De Duitse autoriteiten namen echter al maatregelen. Op 18 mei 1941 werd Schwartz door de bezetter op non-actief gesteld. Twee dagen later, op 20 mei 1941, volgde zijn definitieve ontslag.

Daar bleef het niet bij. Om te voorkomen dat hij nog invloed in de stad zou hebben, werd hij bovendien op 22 mei 1941 uit Maassluis verbannen. Schwartz moest zijn woning aan de Govert van Wijnkade 10 verlaten en mocht zich niet langer in de gemeente vestigen.

Hij verhuisde naar Rotterdam-Overschie, waar hij tijdens de rest van de oorlog woonde aan de Parallelstraat 73. Hoewel hij geen officiële functie meer had, bleef hij via contacten in Maassluis op de hoogte van de situatie in de stad.

Een belangrijke schakel hierin was Jan Willem Bouwman, gemeenteambtenaar bij Sociale Zaken en later plaatselijk leider van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Hij onderhield gedurende de oorlogsjaren regelmatig contact met Schwartz. Uit bewaard gebleven briefjes in het persoonlijk archief van Bouwman blijkt dat deze correspondentie voortduurde tot aan de terugkeer van Schwartz in Maassluis op 6 mei 1945.

Arrestaties na de terugkeer van Kabel
De spanningen in Maassluis bleven ook na het ontslag van Schwartz bestaan. Op 1 juli 1941 ontstond in de stad grote feestvreugde bij de terugkeer van de Maassluise loodgieter Kabel. De gebeurtenis werd door de Duitse autoriteiten gezien als een openlijke uiting van vijandigheid tegenover de bezetter.

Enkele dagen later volgde een harde reactie. Op vrijdagmorgen 4 juli 1941 kreeg de Maassluise commissaris van politie, C. Maris, opdracht van SS-Obersturmführer H. Moller, chef van de Sicherheitsdienst (SD) Aussenstelle Rotterdam, om twintig Maassluizers te arresteren. Onder de arrestanten bevond zich ook de voormalige burgemeester Schwartz.

De gearresteerde Maassluizers werden als gijzelaars verantwoordelijk gehouden voor wat de bezetter beschouwde als anti-Duitse uitingen in de stad. Zij werden overgebracht naar het interneringskamp in Schoorl, in Noord-Holland.

In de tweede helft van september 1941 keerden de gevangenen geleidelijk terug naar Maassluis. Waarschijnlijk gebeurde dit bewust verspreid om nieuwe openbare uitingen van vreugde te voorkomen.

NSB-bestuur in Maassluis
Na het ontslag van Schwartz werd het bestuur van Maassluis op 21 mei 1941 overgenomen door een burgemeester die door de Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete Arthur Seyss-Inquart was aangesteld. Als eerste trad NSB’er George M.C. Ort aan. In eerste instantie werd hij aangesteld als ‘Regeeringscommissaris’. Deze functie werd op 12 september 1942 opgeheven, waarna hij weer uitsluitend burgemeester van Maassluis was. Op 18 augustus 1942 werd hij ook aangesteld als burgemeester van Rozenburg.

Aan zijn bestuur kwam echter onverwacht een einde. Ort overleed op 26 mei 1943, nadat hij door een Duitse soldaat in zijn huis was neergeschoten. Na zijn overlijden werd opnieuw een NSB-burgemeester benoemd.

Op 1 juli 1943 trad Barend J.H. ten Dam aan als burgemeester van Maassluis en Rozenburg. Zijn officiële installatie vond plaats op 14 augustus 1943, waarmee hij de vijftiende burgemeester van Maassluis werd.

Zoals in veel Nederlandse gemeenten betekende het bestuur door NSB-burgemeesters een duidelijke breuk met het vooroorlogse gemeentebestuur. De nieuwe bestuurders stonden openlijk aan de kant van de bezetter, terwijl het vertrouwen van de bevolking vaak gering was.

Terugkeer na de bevrijding
Na de Duitse capitulatie in mei 1945 werden veel burgemeesters die tijdens de bezetting waren ontslagen weer in hun functie hersteld. Ook voor Maassluis betekende de bevrijding het einde van het door de bezetter aangestelde bestuur.

Op 6 mei 1945 keerde mr. P.A. Schwartz terug naar Maassluis, na bijna vier jaar van gedwongen verbanning in Rotterdam-Overschie. Zijn terugkeer betekende voor veel inwoners het zichtbare herstel van het wettige gezag in de stad. Een officiële ontvangst was er op dat moment nog niet.

Diezelfde avond, rond 23.30 uur, arriveerde Schwartz en zijn echtgenote weer in Maassluis. Omdat hun eigen woning nog niet direct beschikbaar was, vond het echtpaar voorlopig onderdak in de woning van Jan Gaasbeek aan de Haven 15.

Enkele dagen later, op 9 mei 1945, werd Schwartz formeel weer als burgemeester in zijn functie hersteld. Daarmee keerde het vooroorlogse gemeentebestuur in Maassluis feitelijk terug.

Schwartz zou vervolgens nog ruim tien jaar burgemeester van Maassluis blijven.

Einde van zijn loopbaan
Op 16 maart 1956 kreeg Schwartz op eigen verzoek ontslag als burgemeester. Daarmee kwam een einde aan een lange bestuurlijke loopbaan die zich over meerdere gemeenten uitstrekte.

Hij werd op 16 december 1956 opgevolgd door Willem Johannes Dominicus van Dijck (ARP).

Schwartz overleed op 18 april 1962 in De Bilt, op zeventigjarige leeftijd. Hij ligt begraven op de Begraafplaats Den en Rust in Bilthoven.

Een burgemeester die terugkeerde
De naam van Pieter Abraham Schwartz blijft in Maassluis vooral verbonden met de gebeurtenissen tijdens de Duitse bezetting. Het fluitincident van 1941 leidde tot zijn ontslag en verbanning uit de stad. Toch keerde hij na de bevrijding terug en hervatte hij zijn functie als burgemeester. Daarmee werd hij een van de vele Nederlandse burgemeesters die tijdens de bezetting hun positie verloren, maar na de oorlog opnieuw hun plaats in het gemeentebestuur innamen.

Als erkenning voor zijn betekenis voor de stad werd in de jaren zestig in de Burgemeesterswijk een straat naar hem vernoemd: de Burgemeester Schwartzlaan. De oorspronkelijke bebouwing, de karakteristieke Elementum vierlaagse galerijflat, werd bij de herontwikkeling van de wijk rond 2004 gesloopt en vervangen door nieuwbouwwoningen. Tegenwoordig grenst de Burgemeester Schwartzlaan aan het Vrijheidspark, waarmee de herinnering aan de oorlogsjaren in dit deel van de stad blijvend aanwezig is.

Bronnen:

  • S. Blom – Maassluis tijdens de oorlogsjaren en na de bevrijding (1946)
  • S. Blom – De geschiedenis van Maassluis (1948)
  • Parlement.com – onder redactie van het Montesquieu Instituut

 

Afbeeldingen:

  • HVM Collectiebank
  • Collectie #WO2MS

Gepubliceerd op:

woensdag 18 maart 2026